Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4000 = 10; de liberalen 100.000 stemmen, aantal zetels 100.000: 4000 = 25 zetels; de vrijzinnig-democraten 40.000 stemmen, aantal zetels 40.000 : 4000 •= 10 zetels; de sociaal-democraten 20.000 stemmen, aantal zetels 20.000 : 4000 = 5 zetels. Samen 100 zetels. Bij dit stelsel zou iedere partij officieel haar candidaten moeten inleveren; indien nu b. v. de roomsch-katliolieken een lijst van 40 candidaten hadden ingeleverd, dan zouden al die candidaten 120.000 of meer stemmen kunnen verkregen hebben; doch aangezien hun, naar liet aantal uitgebrachte stemmen, slechts 30 stemmen konden toekomen, zouden de 30 eerste candidaten van de lijst der roomsch-katholieken verkozen verklaard worden. Natuurlijk kunnen, om tot Evenredige Vertegenwoordiging te komen, andere regelingen gevolgd worden. Wij gaven echter slechts één voorbeeld.

In de tweede plaats wordt door velen voorgestaan het stelsel om aan de stem van iederen persoon niet dezelfde waarde toe te kennen. Aan de stem van een professor b.v. wil men meer beteekenis hechten dan aan de stem van een sjouwerman. Zoo zou een professor drie stemmen kunnen uitbrengen; een predikant en een onderwijzer twee; een werkman één. Dit noemt men het meervoudig of cumulatief kiesrecht.

In de derde plaats achten velen, dat liet kiesrecht nog meer moet uitgebreid worden. Men wil algemeen stemrecht. Wat daaronder verstaan moet worden, is niet recht duidelijk. Bij wezenlijk algemeen stemrecht zouden allen, mannen en jongelingen, vrouwen en meisjes, moeten stemmen, zoodra zij tot jaren des onderscheids zijn gekomen. Zoo bedoelen de meesten het evenwel nog niet. Een zekere leeftijdsgrens, b.v. 21 jaar, wil men nog wel. (Thans is die grens 25 jaar). En ook heeft men bezwaar om gevangenen en krankzinnigen te laten stemmen. Maar men gevoelt, dat als men nog uitzonderingen maakt er geen sprake kan zijn van algemeen stemrecht. De anti-revolutionaire partij, hoewel zij steeds geijverd heeft voor uitbreiding van liet kiesrecht, heeft zich dan ook nooit voor de leuze van algemeen stemrecht verklaard. Zij kon dit niet doen, omdat het kiesstelsel, gelijk dit in 1848 in de Grondwet is neergelegd en in 1887 is gewijzigd, niet overeenstemt met onze beschouwing omtrent het organisch kiesrecht. Wij willen namelijk de gedachte, dat de grondslag van de maatschappij en van het

Sluiten