Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatschappelijk leven is het gezin en het gezinsleven, toepassen op het verleenen van het kiesrecht. Ieder hoofd van het gezin kiezer — dat is ons zoogenaamd liuismans-kiesrecht. Zulk een kiesrecht, gegrond op het bezit en op het besturen van een gezin zonder de hulp van diaconie of burgerlijk armbestuur, geeft een wezenlijk kenteeken aan en sluit zich aan bij de organische samenstelling van het maatschappelijk leven, waarvan het gezin de grondslag is. Ln vandaar dat de anti-revolutionaire partij in beginsel is tegen het bestaande en het vroegere kiesrecht, omdat dit niet rekent met die organische samenstelling, maar met de deelen (atomen), liet getal personen of individuen die de bevolking uitmaken. Geen individualistisch of atomistisch, maar een organisch kiesrecht wenschen wij; en daarom staan wij voor het huismans-kiesrecht. Wil men dit ook noemen algemeen stemrecht, ons goed. Maar dan is het toch wel een „beperkt" algemeen stemrecht, daar van zelf alle personen, die niet een eigen gezin hebben, zouden uitgesloten zijn; terwijl wij bovendien zouden uitsluiten van het stemrecht alle bedrijven van schandelijk of verkeerd beroep, v. b. bordeel- en kroeghouden.

Over de Evenredige Vertegenwoordiging en over het meervoudig of cumulatief kiesrecht, behoeft hier niet in den breede gehandeld te worden. Die stelsels raken vraagstukken, waarover de antirevolutionairen het niet elkander niet eens zijn. Dit alleen wenschen wij er van te zeggen, dat in beginsel voor beide stelsels veel te zeggen valt, maar dat de schaduwzijden, voor wat de practisclie toepassing betreft, in het oog springen.

Hetzelfde zou wellicht ook kunnen gezegd worden voor het stelsel van eene dubbele vertegenwoordiging: eene Kamer van belangen, die de plaats der Eerste Kamer zou vervangen, en eene Kamer van beginselen. Dat de Eerste Kamer zonder eenige waarde is, zouden wij niet gaarne zeggen; vooral thans, nu door de Grondwetswijziging van 1887 ook anderen buiten de hoogst aangeslagenen tot leden daarvan kunnen gekozen worden. Art. 90 der Grondwet luidt nu aldus: „0111 lid der Eerste Kamer te kunnen zijn moet men voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer (30 jaar oud) gesteld en bovendien «>f behooren tot de hoogst aangeslagenen in de Rijks-directebelastingen öf eene of meer hooge en gewichtige openbare

Sluiten