Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan was, dat er ten opzichte van den nieuwen koers, die ingetreden was door de voorloopige afdoening van de schoolkwestie, groote verwarring kwam onder alle partijen. De roomsch-katholieken konden slechts door kerkelijke banden bijeen gehouden worden, ofschoon de verdeeldheid onder hen volstrekt niet minder groot was dan onder anderen. In de anti-revolutionaire partij stonden weldra twee fractiën tegenover elkander: die van Mr. de Savornin Lobman en die van Dr. Kuyper; terwijl de splijtziekte niet het minst heerschte onder de liberalen, die zich weldra splitsten in conservatief- of oud-liberalen en vooruitstrevenden.

Toch zou het onbillijk zijn de anti-revolutionaire partij hard te vallen over de wijze waarop zij, met terzijdestelling in zeker opzicht van andere vraagstukken, de schoolkwestie behandelde. Het betrof hier toch een der heiligste belangen van liet Christelijk Nederland. Er is eens gezegd: geef mij de school en ik beschik over de toekomst ; — welnu, de liberalistische richting trachtte de school geheel in haar bezit te verkrijgen, het onderwijs der jeugd naar haar inzichten te regelen; en tegen dit opzet moest wel ieder voorstander van christelijk onderwijs in verzet komen. Aan dien strijd kunnen licht niet te veel krachten gewijd worden, opdat als einddoel van dien strijd de moderne Staat allengs zich zou terugtrekken van het geven van onderwijs en de ouders dien invloed op de school voor hun kinderen zouden verkrijgen, die hun toekwam.

Daarmede is intussclien niet gezegd, dat de Overheid geheel buiten liet onderwijs moet worden gehouden, of dat zij verkeerd handelde toen zij, na de verandering van regeerings-vorm in 1795, poogde het schoolwezen uit zijn diep verval op te heffen, waarin het door de nalatigheid der Staten en Vroedschappen en door het verval der Kerk allengs gekomen was. Alle schrijvers, van welke richting ook, waren het er over eens dat liet onderwijs voor de jeugd vóór de komst der Franschen, in de 18'le eeuw, in ons land in aliertreurigsten toestand verkeerde. Er moest dus krachtig ingegrepen worden. Niemand maakte zicli echter daartoe op. Noch de Kerk, noch de ouders. Het was daarom eene uitkomst, dat de Staat ging doen wat anderen nalieten. En in dien zin moet het dus toegejuicht worden, dat twee oud-predikanten, Prof. J. H. van der PALM (1763—1848) en adriaan van der Esde (1763—1846), door hun arbeid liet zoo ver brachten, dat de eerste Wet op het lager onderwijs den

Sluiten