Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zouden kunnen noemen het technisch gedeelte van het onderwijs.

Het Rijk toch heeft er belang bij, dat er goed onderwijs wordt gegeven; en daarom is van onze zijde nooit verzet aangeteekend tegen toezicht van het Rijk, zoo op het schoolonderwijs als op de examens voor de onderwijzers. Evenmin, dat het onderwijs wordt gegeven in behoorlijk ingerichte schoolgebouwen.

De vrije school voor heel de natie — d&t is ons ideaal. Konden wij haar verkrijgen door een stelstel, dat geen financieelen steun van Rijkswege aan eenige school van lager onderwijs toeliet, we zouden niets liever willen. Doch zoolang een groot deel der bevolking de veerkracht mist, om het voorbeeld der voorstanders van de bijzondere school te volgen, is dat stelsel onmogelijk, en moeten we dus wel aanvaarden eene regeling, volgens welke alle scholen van het Kijk subsidie ontvangen. Dit is niet onze schuld, maar van de liberalen van alle gading, die hoewel overtuigd van de bandeloosheid, die er op de openbare school heerscht, geen energie hebben en geen pit bezitten om evenals wij de vrijheid aan te durven en scholen te stichten en te onderhouden geheel uit eigen middelen.

Doch al geven we dadelijk toe, dat aan het subsidie-stelsel, gelijk het in 1889 zijn entrée deed in onze wetgeving, schaduwzijden zijn verbonden; al zouden we veel liever het z. g.subventie-stelsel (zie hier boven) gevolgd zien en nog het liefst het stelsel: aan geen enkele school één cent subsidie, — toch is het volkomen onjuist om te zeggen, zooals sommige liberalen doen, dat nu langs den weg van liet subsidie-stelsel vrijmaking van het onderwijs eene fictie wordt. Zeker moet ernstig gewaakt worden tegen onnoodige en schadelijke inmenging van liet Rijk; doch alvorens zich beangst te maken, dient eerst afgewacht te worden de verdere plannen der Regeering. Eerst wanneer die plannen bekend zijn, zal het mogelijk wezen om met juistheid te beoordeelen, of inderdaad subsidieering van het bijzonder Hooger onderwijs en uitbreiding van de subsidieering der bijzondere lagere scholen de door ons gewenschte vrijmaking al of niet zal bevorderen.

In dit verband is het zeker wel van groote beteekenis, dat niet slechts Dr. Kuyper maar ook Mr. de Savornin Lohman in de zitting der Tweede Kamer van 16 Dec. 1902 duidelijk en klaar gezegd hebben, dat de benoeming en het ontslag der bijzondere 011onderwijzers zeer beslist moeten blijven bij de besturen onzer scholen.

Sluiten