Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel XIV.

Op de Overheid rust de plicht om te waken voor de publieke eerbaarheid op den weg en in publieke plaatsen; de gelegenheid tot het gebruik van sterken drank te beperken; den uitstal te verbieden van onzedelijke boek-, plaat- ot prentwerken; verleiding van minderjarigen tot onzedelijke daden strafbaar te stellen en met de hoererij op geenerlei wijze, noch preventief, noch beschermend, en derhalve anders» dan werend, in aanraking te treden. Onder dien verstande echter, dat ze zich bij eiken maatregel, die uit deze verplichting voortvloeit, stiptelijk verre houde van wat tot het terrein des huiselijken levens behoort.

Publieke Eerbaarheid.

In dit artikel van ons Program wordt gesproken van de roeping der Overheid ten opzichte van de publieke eerbaarheid, niet van de publieke zedelijkheid. Er is tussclien beide woorden, eerbaarheid en zedelijkheid, groot verschil. Eerbaarheid doelt op wat naar buiten treedt; zedelijkheid heeft betrekking op het innerlijke leven van den mensch. Over het een kan de Overheid door de politie oordeelen; over het andere niet.

De Staat mag niet als zede-meester optreden; hij kan niet de menschen leeren wat al of niet zedelijk is. Dat moet hij overlaten aan de ouders en voogden, aan de school, vooral ook aan de Kerk. Wat de Overheid wèl kan en moet doen, het is dit; zorgen, dat de zonde zich niet in het openbaar vertoont in die mate, dat zij ergert of ook anderen wil verleiden. Natuurlijk is hiermede niet gezegd, dat de Overheid neutraal moet zijn tegenover de zedelijkheid, dat zij niets zou kunnen doen of zou moeten doen om den

Sluiten