Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaam der opstanding, die zich in ons tegenwoordig aardsche lichaam bevindt, kan niet vergaan noch verbranden, noch door de wilde dieren worden verteerd. De christenen kennen de almacht van Hem, die het lichaam geschapen heeft, die de dooden uit de zee vergaderen zal en de verteerde lichamen der menschen uit de aarde weer zal doen verrijzen.

Of het hier in zake de lijkverbranding gaat om het geloof, kan gevoegelijk buiten bespreking blijven; maar zeker is het dat het hier wel om de christelijke gewoonte en in zekeren zin om de christelijke z e d e 1 e e r gaat. Wèl hebben we op dit punt met het geloof te maken, in zooverre liet juist het ongeloof is, dat storm loopt tegen de christelijke zedeleer en met de zedeleer ook het geloof hoopt te ondermijnen. Wij weten toch zoowel uit Gods Woord als uit de geschiedenis der menschheid, dat het verbranden der dooden eene bij uitstek heidensche gewoonte en bij de heidensche volken over het algemeen regel was. Eene uitzondering daarop maakten de Egyptenaren, een denkend volk, dat echter ook in de heidensche duisternis rond tastte. Deze droegen er angstvallig zorg voor, dat de lijken hunner afgestorvenen gaaf bleven, door ze op kostbare wijze te balsemen en in de pyramiden weg te sluiten. Zij deden dit, omdat zij in den waan verkeerden, dat bij verrotting de ziel niet in haar omhulsel kon wederkeeren en dan altijd moest blijven rondzwerven.

De gewoonte van begraven is voor ons reeds daardoor eerbiedwaardig en heilig, omdat onze Heere Christus in het graf is gelegd. En wat is natuurlijker dan dat de christenen den Heiland en Zaligmaker, op Wien ze immers met vertrouwen hopen in hun leven en sterven, ook in den dood gelijk zijn ? Wij wenschen te rusten, waar Hij eenmaal rustte, en te vertoeven waar Hij vertoefde. Wij willen het lichaam van den christen, dat een kunstwerk Gods en een tempel des Heiligen Geestes is, niet op gewelddadige wijze vernietigen door het vuur, maar het rustig doen wederkeeren tot het stof, naar de ordinantie Gods.

Nu spreekt men wel van het groote nut, dat er uit geboren zou worden, als er geen kerkhoven meer bestonden en lucht en bodem niet langer door verrotting werden verontreinigd. Maar wanneer de lijkverbranders van hun „wetenschappelijk" standpunt uit op de schadelijkheid van de kerkhoven wijzen, dan zeggen daartegenover

Sluiten