Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de belaatingpenningen bij den ontvanger worden gebracht. Er is wel eens gezegd, dat bij al de goede karakter-trekken van ons volk de Nederlander zich speciaal hierin onderscheidt, dat hij houdt van een borrel en een ingewortelden afkeer heeft van den fiscus (de belasting). A\ are deze beoordeeling van den Nederlander in haar algemeenheid juist, zoo zou dit zeker niet voor lieni pleiten: maar al moge daarin overdrijving bestaan, toch kan niet worden geloochend, dat als er gelegenheid hier te lande is 0111 den fiscus, dat wil zeggen om aan de schatkist, iets te onthouden, van die gelegenheid niet zelden gebruik gemaakt wordt. Zeer soliede en eerlijke menschen, die in het maatschappelijk leven met nauwgezetheid de grenzen tusschen het mijn en dijn onderst-heiden, zien er geen kwaad in 0111 zich voor de vermogens- en bediijfsbelasting, ja zelfs voor de successiebelasting lager aan te ge\ en dan met de werkelijkheid overeenstemt. Niet weinigen doen dit willens en wetens; terwijl anderen allerlei zeer zonderlinge belastingtheoriën er op 11a houden 0111 aan den huns inziens te hoogen aanslag te ontkomen. Ter verklaring van dezen karaktertrek van vele Nederlanders — wijlen liet bekende Kamerlid Rutgers van Rozenburg, alsmede de oud-Minister Sprenger van Eyk. noemden dien karaktertrek eene nationale ondeugd! — mag er zeker wel op gewezen worden, dat de belasting-regeling jarenlang voor een niet gering deel dei' bevolking onbillijk en onredelijk was. Het is intusschen niet te ontkennen, dat in de laatste jaren in die regeling \ ei beteringen zijn aangebracht, zoo door de herziening van het Personeel als door de vermindering of afschaffing van den accijns op zout en zeep en de daarmede gepaard gaande verlaging van rechten bij koop en verkoop (mutatie-rechten), met de invoering van een gesplitste inkomsten-belasting (vermogens- en bedrijfsbelasting). Doch al bestond er en bestaat er nog reden tot klachten over te hooge belasting en over onbillijkheden bij de regeling daarvan, zoo blijft toch altijd het woord der Schrift gelden, door Christus zelf uitgespioken, dat aan den keizer moet worden gegeven wat des keizers is: en niet minder wat Romeinen 13 ons voorschrijft. Wanneer met opzet het inkomen of het vermogen in strijd met de letter en den geest der belastingwet te laag wordt opgegeven, maakt men zich eveneens schuldig aan diefstal, als wanneer men in het burgerlijk leven willens en wetens den mede-burger te kort doet.

Sluiten