Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Eerste Kamer alleen reis- en verblijfkosten zonden genieten. (Dit bedrag is gemiddeld per lid f 520 h f 540).

Deze bepalingen zijn bij de Grondwet van 1887 gehandhaafd, zoodat voor de leden der Tweede Kamer op de begrooting is uitgetrokken f201.000, n.1. f 200.000 voor schadevergoeding en f 1000 als vergoeding voor reiskosten. Eene zonderlinge bepaling — want de leden krijgen maar voor één reis heen en weer gedurende het geheele jaar vergoeding; derhalve f 10 gemiddeld voor ieder lid in een jaar, of — wanneer men in aanmerking neemt dat niet weinig leden in Den Haag wonen en dus geen vergoeding voor reizen ontvangen — zoo ongeveer f 15 per lid gemiddeld. In 1850 was het bedrag minder, doch toen waren er maar 68 leden der Tweede Kamer. De leden der Eerste Kamer ontvangen geen inkomen, zooals reeds is gezegd; maar wel ontvangen zij voor iedere reis naar Den Haag schadevergoeding; samen f 2U.000 of f 520 voor elk lid per jaar dooreengenomen.

Besluitende, mag alzoo worden geconstateerd, dat er voor hen, die op bezuiniging ook in de groote inkomsten aandringen, reden is tot dankbaarheid. H. M. de Koningin geniet aan inkomsten heel wat minder dan de broeder van den Franschen overweldiger; minder ook dan Willem I en Willem II. De leden der Eerste Kamer ontvingen vroeger f 3000, thans alleen reis- en verblijfkosten, wat voor lieu, die in Den Haag wonen, natuurlijk niets bedraagt. De leden der Tweede Kamer genoten in den Franschen tijd — in den tijd van ,.vrijheid, gelijkheid en broederschap!" — eene schadeloosstelling van f4000, wat in 1815 is geworden f 2500; — thans is het bedrag der schadeloosstelling slechts f 2000.

Ook de Ministers hebben geen hooge traktementen. Slechts f 12.000; in het buitenland is het salaris van Ministers aanzienlijk hooger. De Minister van Buitenlandsche Zaken ontvangt nog f 4000 extra voor representatie-gelden, dat wil zeggen voor het geven van galamaaltijden en partijen aan de gezanten van de vreemde mogendheden.

De stijging van de uitgaven moet, behalve aan de vermeerdering der bevolking, aan iets anders dan aan de ambtenaren-salarissen worden toegeschreven. En wel aan de uitbreiding der Staatsbemoeiing. Dit geldt met name het onderwijs, het post- en telegraafwezen, het spoor- en tramverkeer, het gevangeniswezen (in 1850

Sluiten