Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weder traktementen werden uitgedeeld, (lp dit punt werd dus de scheiding van Kerk en Staat niet doorgedreven, hoewel, gelijk reeds hiervoren is gezegd, de uitbetaling van de traktementen, met name tusschen 1810 en 1813, veel zoo niet alles te wenschen overliet.

Ma de afwerping van liet juk der Fransche heerschappij, kwam eene zeer groote verandering in de verhouding van Staat en Kerk. Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koninkrijk bestaande, werd gelijke bescherming verleend (art. 191 Grondwet 1815). ..Nieuwe gezindheden" mochten niet meer optreden. Althans dit bleek de bedoeling van dat artikel te zijn, toen in 1834 De Cock, Van Velzen, Scholten, Brummelkainp en Ledeboer optraden. En wat vooral de aandacht verdient, de Gereformeerde kerk werd in plaats van heerschende Kerk Staatscreatuur, niet meer levende onder het Koningschap van Christus maar bij de gratie van Koning Willem I.

Dit was wel een diep verval, te meer waar de roomsche kerk, die voor 1795 slechts getolereerd werd, in 1815 geheel zelfstandig zich kon inrichten, niet onderworpen aan den wil en den eisch van de Begeering. De rollen waren dus omgekeerd, wat vooral bleek uit de geschiedenis van den Haagsehen predikant D. Molenaar in 1827. >) Van scheiding van Kerk en Staat was, gelijk in 1798, nu geen sprake meer. Het spreekt van zelf, dat Groen van Prinsterer tegen dien knechtelijken toestand, waarin de Hervormde kerk was gebracht, herhaaldelijk heeft geprotesteerd. Hij heeft al het mogelijke gedaan om daarin verandering te verkrijgen. Scheiding van Kerk van Staat begeerde hij. Niet zooals Thorbecke en ook later Van Houten die verstonden: „iedere kerk moet als^mYw^-rechtelijk genootschap beschouwd worden." Want dan werd de kerk op gelijke lijn gesteld met een schaak-club of iedere andere vereeniging.

Groen wenschte scheiding van Kerk en Staat, in dezen zin: „Door scheiding van Kerk en Staat zelfstandigheid der Kerk, en voorts zooveel doenlijk gemeen overleg, naar de geboden Gods en te Zijner eer werkzaam" '). Losmaking ook van de geldelijke banden. Doch dit niet alleen: „scheiding van Kerk en Staat in christelijken, niet in anti-christelijken zin." En onder die scheiding verstond hij ook opheffing van de theologische faculteit aan de Rijks-universiteiten: „Nu althans geen theologische faculteiten vanwege den

1) Siet afi/eweken, door schrijver dezes, bi. 99 eu volgende.

2) lied. Gedachten IV, bl. 340.

Sluiten