Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gemis aan de ware belangstelling en liefde voor de zaak. Op die menschen is voorwaar wel liet woord van toepassing, dat Ds. Gispen eens geestig maar scherp aan zijn helaas naar het schijnt overleden vriend te Jeruzalem schreef: „ik wilde wel, dat wij wat meer christen waren in de week; des Zondags ook wel, maar vooral in de week." In haar lofzang klaagde Debora (Richteren 5 : 15—lti) zoo roerend over Rubens gedeelten, die, terwijl alle stammen optrokken voor het heil van Israël, bleven zitten tussehen de stallingen om te hooren de blatingen der kudden, omdat zij hadden groote onderzoekingen des harten. Nu, zóó is het nog bij velen, die toch naar hun levensopvatting behooren tot hen, die voor hun persoon en in hun kring bij het Woord wenschen te leven. De één is bang voor benadeeling in zijn bedrijf of positie, wanneer hij zich zou geven voor de publieke zaak: de ander heeft bezwaren tegen personen, die op de eene of andere manier vooraan staan. En zoo heeft ieder van hen wat.

Overigens mag met blijdschap er op gewezen worden, dat al meer ieder partij gaat kiezen, dat het besef steeds levendiger wordt om voor de zaak en den Naam des Heeren ook op publiek terrein en dus in de maatschappij op te treden. Groen van Prinsterer heeft zijn geloofsgenooten daartoe bij voortduring aangespoord. Hij stoorde zich niet aan liet woord, dat Thorbecke in een kwaden luim hem eens toeduwde (29 Nov. 1851): „Waart gij eene stille partij, die enkel zocht God op haar wijze te dienen, men zou, al hield men uw meening voor dwaling, u eerbiedigen." ') Eene stille partij, eene partij voor de huiskamer, niet voor het politieke, kerkelijke of maatschappelijke leven, behoorden de anti-revolutionairen te zijn. Het advies van Thorbecke is niet gevolgd. Er is, onder den zegen Gods, eene krachtige anti-revolutionaire partij gekomen met eene organisatie, die iedere partij haar benijdt, met een program van beginselen, wier beteekenis voor alle Christenen zich al meer doet gevoelen.

Het spreekt wel van zelf, dat zulk eene partij er niet aan denken kan haar zelfstandigheid in eenig opzicht prijs te geven. Zij weet, beter dan eenige andere staatspartij, wat zij wil, welke haar beginselen zijn. En daarom kan er geen sprake meer zijn van indeeling der anti-revolutionaire partij bij eene andere partij. Dat

1) Parlementaire Adviezen, II bl. 45.

Sluiten