Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zijn eigen glans op Hein terug werpt. Kwam Hij derhalve nooit tot rust, 't ware een teeken, dat zijn werken niet tot liet beoogde doel, de volmaking der dingen, leidden, en zijne verheerlijking, die deze volmaking tot voorwaarde heeft, alzoo achterwege bleef. Alsdan zou Hij zichzelven verdacht maken, en in plaats van de lichtwolk der heerlijkheid, zou de nevel der schande Hem omgeven, als een, wien het aan wijsheid kracht ontbrak. Het zou schijnen, dat Hij het vermogen miste om het leven, dat Hij van zich had laten uitgaan, in een loflied veranderd, tot zich weder te brengen.

Maar onze God heeft zijn sabbat. „Als Hij op den zevenden dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt had, zoo heeft Hij gerust op den zevenden dag, van al zijn werk, dat Hij gemaakt had" •). In de uitdrukking „rusten" ligt allernaast eene „ontkenning" opgesloten; zij wijst op het staken van den arbeid. God houdt met scheppen op; de zesde dag is de laatste, waarop Hij wat nieuws maakt. Waarom rust Hij ? Niet uit onmacht, als ware Hij vermoeid, of uit onwil, als berouwde Hem zijn werk; evenmin heeft dit rusten in wijziging van plan of in verwarring des geestes zijn grond. Hij rust van zijne werken, omdat zij zoo afgewerkt en zoo volkomen zijn, dat hun niets nieuws behoeft te worden toegevoegd. Alzoo geeft Hij, door van zijne werken te rusten, hun geene geringe eer, die echter, wel bezien, niet het minst den mensch geldt.

Eerst met de verschijning des menschen toch is de schepping voleindigd. Echter is deze meer dan de sluitsteen van het gebouw; want hij is degene, dien de Schepper van het begin zijner werkzaamheden aan bedoeld heeft. De mensch geeft derhalve beteekenis aan de vóór hem en tot hem geschapene dingen. Vandaar rustte God niet voor de mensch er was ; geen plant, geen dier, geen aarde, geen zon voldeed

1) Gen. 2 : 2.

Sluiten