Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schepping, die, hoe volmaakt ook, altijd de onvolkomenheden van het eindige behoudt, hare onvolmaaktheid niet aan Hem mededeelt, maar hare volmaaktheid van Hem ontvangt. Hij is als het licht, dat overal doordringt, maar nergens besmet wordt. Niet slechts verheerlijkt Hem de schepping rechtstreeks, door zij non lof te verkondigen, maar ook zijdelings, door te bewijzen dat zij niet bij machte is, Hem eenigen glans te ontnemen. Volgt er niet uit. dat Hij zich niet slechts verlustigt, wanneer Hij zich in zijne werken ziet, maar ook wanneer Hij zich in onderscheiding van hen beschouwt? Alzoo rust Hij in zichzelven, gewis en zeker, dat Hij, wat zij of worde, is wat Hij was, en blijft wat Hij is. Vandaar kan Hij, /onder zich in gevaar of verzoeking te brengen, in zijne werken indalen; uit vrees voor ontwijding van zichzelven behoelt Hij hen niet te verlaten. Hij kan zijnen sabbat midden in den tempel zijner schepping vieren.

Daaruit nu, dat God den dag, waarop Hij gerust heeft, „zegent en heiligt", blijkt zijn wil, dat ook de mensch sabbat boude; hem toch bedoelt God met al zijne ordeningen omtrent het aardsche. Trouwens is de mensch Gods zoon; en geen vader viert zijn feestdag zonder zijn kind. Het is den vreemde een teeken van welken vader het kind is. Een gebod om sabbat te houden is door het gegeven voorbeeld overbodig geworden, ten minste in het paradijs, alwaar 's menschen zin en aandrift ons waarborgen dat hij zijnen Vader navolgen zal. Zijn leven behoort eene afbeelding van het goddelijke te zijn; want de aarde moet, gelijk een dichter zegt, s hemels weerschijn wezen. Indien trouwens de wetten van liet goddelijk leven zich overal in de natuur wedervinden, dan betaamt het ongetwijfeld den mensch 0111 te zorgen, dat ook zijn leven haar afdruk zij. Vóór alles moet hij zes dagen arbeiden, opdat hij kunne rusten; want rust onderstelt vooreerst dat men gewerkt heeft, daarna dat men gereed is. Zijn rusten moet alzoo even als dat zijns Vaders

Sluiten