Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inet het oog op een volbrachte arbeidstaak intreden; het moet uitdrukking zijn van de zegepraal, die hij, als vertegenwoordiger van het goddelijk koningschap, door den arbeid over de stof heeft behaald. En daarin dat hij rust, bewijst hij, even als God in zijn rusten, meer dan natuur te zijn, en beelddrager der Godheid, die in haren arbeid aan de natuur niet opgaat, en in hare werken zichzelve niet verteert. Zijne rust heeft derhalve vóór alles haar doelwit in zichzelve; het is eene, die de mensch zichzelven geeft, als zoon van God. Op den sabbat zij de mensch stille; geen ontwikkeling, maar blootlegging des levens op dezen dag; het is niet de dag der wordingen, maar der slotsommen. Rust de mensch van zijn werk, 'tis echter niet in zijn werk, dat hij rust, maar in God; zijn werken moet een afloop hebben in zijn Maker. De sabbat is geheiligd; 't is een dag van en voor God, waarop de mensch, na zes dagen lang in de onderhouding en ontwikkeling der natuur zijn koningskracht verheerlijkt te hebben, priester wordt, die als hoofd dier natuur, alles wat hij zich van haar onderworpen heeft, tot eigen lichaam toe, Gode ten offer komt wijden. O liefelijk schouwspel, als de liefde, die koningen tot priesters maakt, de kroon zijns lioofds dalen doet, steeds dieper, tot voor Gods voeten! U liefelijk voorspel van wat, 11a de overwinning op den sterke, die de graven der heiligen gesloten houdt, geschieden zal, als eene liefde, die voor vijanden sterven kon, den koning des heelals bewegen zal, zijn koninkrijk den Vader te offeren. ]) Zoo is de sabbat de hemelvaartsdag der week; want gelijk in de zes dagen alles opklimt tot den mensch, het hoofd des aardrijks, stijgt deze op den zevenden dag, met alles wat hij tot zich bracht, in het offer des lofs op tot zijn Hoofd in den hemel. Daaruit nu, dat schepselen in den mensch rusten moeten, om sabbat te kunnen vieren, verklaart zich, dat er geen ruste is op den sabbat, dan ouder aan den mensch onderworpene schepselen; in de wildernis geen sabbat. Maar 1) 1 Cor. 15 : 28.

Sluiten