Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODS VERBOND MET NOACH.

Pas waren „Gods golven en baren" over alle vleesch heengegaan ; de aarde was een onmetelijk doodenveld geworden. Wie geen anderen maatstaf iu de hand had, dan 't pas gehouden gericht, kon niets anders oordeelen, dan dat God er berouw van had den mensch te hebben geschapen. Het „voorwaarts" van weleer, dat Hij den mensch in 't paradijs toeriep, scheen in een „achterwaarts" veranderd. Er was geen menschheid meer; zou er zich weer eene ontwikkelen uit het achttal, dat aan 't algemeen verderf ontkwam, of was dit bestemd om een korte wijle het gestorven geslacht als rouwdragers te beweenen, en dan zelf rust te zoeken in het laatste graf? Zal de woestijn weer bloeien? Of is de wereld voortaan overbodig, en zal zij weer in een bajert veranderen, en het paradijs der geesten worden, die gevallen zijn, of misschien wel verdwijnen uit het heelal?

Op al deze vragen ligt het antwoord gereed. Het gericht dat in den zondvloed over de wereld komt, beoogt geenszins hare verdelging, maar uitsluitend hare zuivering en haren vooruitgang. In Gods Raad is het opgenomen als doorgangspunt op den weg harer verlossing. Wel wijst het naar het jongst gericht henen; maar zelf is het dit niet.

Wij moeten niet uit het oog verliezen wat een gericht eigenlijk is. 't Is eene door God bewerkte scheiding tusschen

Sluiten