Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijkt, ziedaar de triomf der hel; Jezus, na het kruis verheerlijkt, ziedaar de ondergang der hel. Hoe vuurt Satan den op zichzelf betamelijken lust om de goddelijke zaligheden te genieten, in het tot eenzijdigheid zoo geneigd gemoed van den discipel aan, en voert hem zóó hoog op, dat er geen plaats meer in zijn hart overblijft voor de begeerte dat de goddelijke wil worde volbracht.

Maar midden onder de genietingen des hemels heeft Jezus de smarten des kruises verkoren. Gindsche wolk, die niet met Hem, maar slechts met Mozes en Elias beladen naar de sterren oprijst, bewijst het. Waarom toch laat zij Hem achter, anders dan omdat Hij het wil; en waarom wil Hij het, zoo het niet is om hier voor ons te lijden ? Het offer is gebracht. De glans van zijn aangezicht begint te tanen en zijne kleederen worden dof; toch blonk de luister van zijn innerlijk, verborgen wezen nooit sterker dan toen. Nu toch toont Hij dat Hij volmaakt is in de liefde.

In de liefde ? Maar wie heeft Hij dan zoo lief ? Ons, onbeminde schepselen, onbeminnelijke zondaren, ons! Maar weet gij wel, waarom die liefde zoo onuitroeibaar is ? Omdat zij hare wortelen in een goddelijken grond uitspreidt. Vóór alles toch bemint Hij den Vader, die Hem herwaarts gezonden heeft, om er door zijnen dood diens heerlijkheid te openbaren. Nu zoekt Hij zijne eigene eer niet. Dat bewees Hij ginds, aan den voet van den berg, door de kroon af te wijzen, die de menschen Hem aanboden; dat staaft Hij krachtiger nog hier, als Hij de kroon weigert, schoon de hemel zelf ze Hem, in naam der gerechtigheid, aanbiedt. Toch is Hij in geen doffe of vroomschijnende onverschilligheid omtrent zichzelf verzonken. Laat het waas van weemoed, dat zich, bij 't wegvaren der wolk, over zijn lichtend gelaat spreidt, het u zeggen. O, liefde! gij alleen verklaart het raadsel zijns levens; want gij doet Hem, den Vader ter wille, een raadsbesluit omhelzen, dat Hem den afgrond invoert, om de verloren parel der menschenziel in zijn diepte

Sluiten