Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit zich hier meer dan de tegenzin van het vleesch in de pijn, of van het leven tegen het graf, meer dan de afkeer van het eergevoel van de schande, of van den gemeenschapszin van de verlatenheid. Er ademt iets heiligs in. Of ware de Middelaar volmaakt in reinheid geweest, had geen huivering Hem bevangen, bij de voorstelling van de gestalte, waarin Hij straks voor de oogen van alle schepselen verschijnen moest ? Midden in het heelal tot een schouwspel voor engelen en menschen te worden van den vloek en de schande der zonde! 't Is zijn reinheid juist die Hem vragen doet of het mogelijk is, dat Hem gespaard blijve wat Hem niet slechts tegen de borst stuit, maar zoo ondragelijk is, dat zijn lichaam het niet langer dragen kan, en bezwijken moet, als het niet gesterkt wordt. Hoe: de vlekkelooze als zondaar,, de alzegenaar als vervloekte; maar neen, hoe zouden wij de grootte van zijn afkeer kunnen uitdrukken, zoo wij Hem niet aanschouwen in 't licht van zijnen eersten, en oudsten naam, die van Zoon des Vaders. De Zoon, maar thans als een vreemde voor het aangezicht des Vaders verschenen, zeggen wij liever als een, met wie God evenmin gemeenschap hebben kan als met het kwaad, welks vloek Hij op zich genomen heeft! O, had Hij zijn Vader liefgehad, zoo Hij in zijn laatste ure niet gebeden had: „Vader! indien het mogelijk is, laat mij niet alleen!"

Nu springt het ons in het oog, dat Hij een priester is, die zich waarlijk ten offer brengt. Zeer schoon zegt een christelijk denker '): „Zoolang de stem der natuur eensluidend is met de stem van God, kan men vragen: „Waar is het lam ter brandoffer? Het offer begint, waar beiden met elkaar in strijd geraken." -) Hier staan ze in de scherpste tegenspraak, maar „de heiligheid van den Heer keert ongeschonden uit de worsteling terug,-' 3) want hoe hevig de aandrang was, zoo maakte zich de wil der natuur geen

1) Godet. 2; Gen. 22 : 7. 3) Godet.

Sluiten