Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin het ons een genot toeschijnt te mogen lijden, als zijn naam er door verheerlijkt worden zou.

Naardien wij echter zwakke zuigelingen zijn, die pas even beginnen te beminnen, zoo zegt Hij ons, dat wij niet staan moeten naar wat ons te hoog en te wonderlijk is, maar, onzer zwakheid indachtig, beginnen met ons eigen last, die ons, om onzer zonden wil, en ter onzer loutering gegeven is, gewillig te dragen. Hiertegen kunnen wij niets inbrengen ; want indien Hij om onzentwil het kruis der vervloeking op zich genomen heeft, zullen wij dan weigerachtig zijn een last te dragen, ons, in ons eigen belang op de schouderen gelegd '? Wij leggen onze hand op den mond, en klagen in onze verdrukkingen niet over onze smarten, welke wij dezen naam niet meer geven durven, sinds wij de zijne hebben gezien, maar over onze zonden.

Ook misgunnen wij het voorrecht niet, dat enkelen der zijnen genieten, die Hij verwaardigt om, wel niet tot rechtvaardigmaking, maar ten minste ter wille van de toebrenging, de vertroosting, liet geluk en de heiliging van anderen te lijden. Yan zoo iets mogen wij spreken; want gelijk Hij acht der discipelen aan den ingang van den hof der olijven achterliet, en slechts aan drie vergunde om met Hem te lijden, opdat de Kerk door hun getuigenis weten zou, wat Hij geleden had, zoo geeft Hij ook slechts aan enkelen het voorrecht, om als Hij voor anderen te lijden. Voor de meesten is het voldoende, dat zij Hem de eere geven, die Hem toekomt, door hun last, in de kracht zijner gehoorzaamheid, Hem ter eere, onderworpen te dragen.

Reeds wanneer Hij in de ure onzer smarten onze lippen sprakeloos, en wat nog meer zegt, ons hart stil ziet, ververheugt Hij zich over ons, gelijk eene moeder over de vrucht harer barenssmarte. Hoeveel te meer als er, in de ure des lijdens, een glimlach over ons betraand gelaat zweeft, ten teeken dat ons geloof ons met de smart heeft verzoend.

Sluiten