Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Immers is de Heere waarlijk niet zoo hardvochtig als deze dienstknecht durft zeggen. Hij rekent wel degelijk met den vreesachtigen en onwerkzamen aard van zijnen knecht. Vond hij nu maar redelijkheid en gewilligheid bij hem, in plaats van eigenzinnige onbuigzaamheid, dan zou hij nog zwijgen, of ten minste hem van de straf der verbanning verschoonen. Maar ook hiervan niets. Waarom heeft hij zijn geld niet in de bank gegeven, opdat de heer, bij zijne terugkomst, het met woeker had kunnen terug ontvangen ? Daaraan heeft hij niet gedacht; toch had zoo iets als voor de hand gelegen. Wie zelf wel de gave, maar niet den moed heeft, om aan het Godsrijk te werken, kan ten minste er anderen toe bezielen of toe in de gelegenheid stellen. Ik durf mijne denkbeelden niet uitspreken, mijne vermaningen niet geven, mijne vertroostingen niet toedienen, gekweld als ik door den twijfel, of wat ik denk, juist, en wat ik gevoel, welgeplaatst is, en gedrukt door de vrees voor de gevolgen, als mijne gedachten verkeerd of mijne woorden ontijdig waren; laat ik dan ten minste anderen opwekken en bekwamen om in mijne plaats te werken. Ik heb misschien geen moed om mijn buurman te vermanen, of om gindschen stervende den weg te wijzen, of om de heidenen te bekeeren, of om het evangelie te verkondigen; waarom draag ik dan mijne taak niet aan een ander over, of stel mijn broeder door mijne gaven in de gelegenheid het te doen? Alsdan ware mijn loon wel uiterst gering; maar voor mijn Heer ware de schade minder. Want dan liad hij zijn geld toch met woeker terug ontvangen. Waarom heeft deze dienstknecht dit dan niet gedaan? Waarom niet? Omdat hij geen liefde voor zijn heer had, en derhalve ook geen zorg voor diens belangen. Evenals alle wettische belijders dacht hij uitsluitend aan zijne eigene behoudenis. Over Christus' eere en welvaart bekommerde hij zich niet. Mijn heer is vanzelf zalig, zoo dacht hij, vergeten zijnde dat de wijnstok niet dan door de ranken vruchten voortbrengt,

Sluiten