Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wendt tot den gelukzalige, die zich uit den aardschen schat, die voorbijging, een hemelschen verzameld heeft, die blijft, voegt Hij hem toe, met zijne zachte stem: „voorzoover gij dit aan een van mijne minste broederen gedaan hebt, hebt gij het mij gedaan". En dan zal wie in zijnen naam een beker koud waters aan een zijner minste discipelen gegeven heeft, grooter loon ontvangen, dan ooit een aardsche koning aan een zijner gunstelingen geven kon.

Ongetwijfeld zouden wij den armen broeder niet een geheel anderen blik als thans aanzien, ingeval wij doordrongen waren van het geloof dat al deze dingen waarachtig zijn. Het zou geen blik zijn die hem griefde, maar een, half vol

ontzag, half vol erbarniing. En dan ? Weldra zou

er in zijn oog een traan blinken, dien niemand, God allerminst, vergat. Die traan zou eens bewijzen dat wij bemind hebben. Voor wie liefheeft nu is er geene plaats in de hel. Geen duivel begeert er hem ; want hij bracht er de liefde, vuur in het vuur, hel in de hel; want de liefde is foltering voor den haat. Waar dan met hem henen? Pas is de vraag gedaan, of van tallooze tenten, door zaligen bewoond, wordt de voorhang weggeschoven, en vriendelijke stemmen roepen van allen kant: ga toch niet van uwen knecht voorbij !

In die tenten kan over vele en heerlijke dingen gesproken worden. Zijn bewoner zou kunnen zeggen, hoe elke uiting der liefde, al scheen zij nog zoo gering, van onberekenbare wraarde was. „Ziet", zou hij zeggen: „bijna was ik onder mijnen druk vergaan; mijn geloof stond op het punt van te bezwijken. Allicht had ik den naam mijns Gods aangetast, door mij te redden uit mijns naasten goed *); maar de hand uwer liefde heeft mij bewaard. Mijn vertrouwen op God is niet beschaamd geworden ; des te meer mijne zwakheid en mijne vreeze. Gij hebt mij voor de wanhoop des ongeloofs bewaard : door u is mijn geloof versterkt. In mijn

1) Spreuken 30 : 9.

Sluiten