Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaduw dier tente neder te liggen, en verzadigd te worden niet de kruimkens van dien disch ? zie de begeerte maakt hem wakker. . . .

Waar ben ik? Wie heeft mij gezond gemaakt? ik voel mijn lichaam niet meer. Wie zien mij zoo vriendelijk aan? dat doet men mij anders nooit ? Hoe is hier alles zoo veranderd ? Waar is het paleis gebleven ? Ik droom zeker nog .... Engelen antwoorden.

Geene moeder drukte haren zuigeling ooit teederder aan hare borst dan deze engelen Lazarus aan de hunne. Nu gaat het opwaarts. De arme bedelaar begrijpt er letterlijk niets meer van; hij laat zich zwijgend opwaarts dragen. De engelen zingen van het land, waar de boozen ophouden van beroering, en de vermoeiden van krachten rusten; daar hoort men, zoo zeggen zij, de stem des drijvers niet meer. Zulk een liefelijk gezang had de bedelaar nog nooit gehoord ; dat was toch nog schooner dan de muziek bij den rijken man. Het wordt hoe langer hoe lichter; daar ziet hij zijn droom weder. Ja, het is waarlijk dezelfde tent, en vader Abraham er in, op de eereplaats van het feestmaal gezeten, en de duizend gasten! De bedelaar herleeft.

Terwijl de engelen hem binnen brengen, staan de gasten op, en heeten hem vroolijk welkom. De bedelaar weet niet wat hij antwoorden zal. „Ik ben Lazarus maar", zegt hij, en meent dat de engelen zich vergist hebben met hem in zulk een vorstelijk gezelschap te brengen. Daar zijn Jakob en Izak, Mozes en Aaron, David en Salomo, Elias en Daniël, met Abraham hunnen vader; 't zijn altemaal vorsten, priesters, profeten, en koningen. Alleenlijk ziet er men er bijna geene farizeën onder; overigens is al wat in Israël adellijk en heerlijk was, er aanwezig. Wat zal de bedelaar in dat doorluchtig gezelschap ? Dan ziet hij de engelen vragend aan, en dan slaat hij zijne oogen weder verlegen neder; maar zijne geleiders zijn zeker van hunne zaak. Zij gaan geheele rijen met hem langs, en staan niet stil, alvorens

Sluiten