Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der oogen, en de begeerlijkheid des vleesches." En wat vindt het ter zijner verzadiging ? Niets; voor den wereldling is de eeuwigheid eene woestijn. Nu ontbranden de lusten der vleeschelijke ziel; plotseling worden zij vlammen, die folteren en tot wanhoop drijven. Zóó brandden zij weleer op aarde niet; want daar was de rijke eiken dag in de gelegenheid om in tallooze en afwisselende genietingen het vuur zijner begeerten te blusschen. Maar thans ? Het paleis is verre ; een ander woont er in ; zijne schatten zijn in vreemde handen, en nog armer is hij dan de bedelaar, aan wiens ellende hij zich zoo dikwijls ergerde. Hij heeft niet eens een lichaam meer; geen oog, om de wereld te zien, geen oor, om de menschen te hooren; hij is, wie blind en doof is, gelijk geworden. Een diepe afgrond, te breed om te overzien, laat staan om overgesprongen te worden, scheidt hem van deze aarde. Hij is alleen met den dood ; hij is, maar leeft niet. Thans ziet hij, hoe zijn „vroolijk en prachtig" leven, dat hij dagelijks leidde, gestrekt heeft, om zijne lusten te voeden, tot zij de kracht erlangden, om hem thans tot het slachtoffer te maken, dat zij kwellen en folteren zonder einde en wederga. O mijn dwaas leven, zoo roept hij, maar te laat. De begeerte bluft eischen, de vlam vaart voort te branden. Ook in zijn hart heeft God de eeuwigheid gelegd;') 't is een dorst, die oneindig is, en deswegens slechts met iets oneindigs gestild wordt. Wie zal dan de foltering van den rampzalige beschrijven, die tegenover de onmetelijke, onbegrensde behoefte naar licht, naar kracht, naar eer, naar geluk, die ons ingeschapen is, omdat God zich tot onze spijs bestemd heeft, niets heeft over te stellen dan — niets ?

Als de grond onder zijne voeten wegzinkt, heft ieder, tot de stoutste ongeloovige toe, zijne oogen opwaarts, als om te verraden, dat het hart, hoe kunstmatig ook tot zwijgen gebracht, zijne hulp bij den hemel zoekt. Ook de rijke slaat

1) Pred. 3 : 11.

Sluiten