Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den afgrond scheidt, en laat allen uitsluitend aan de goddelijke barmhartigheid over. Geen bede, hoe vurig, geen kreet, hoe snijdend, niets kan Abraham bewegen om Lazarus te zenden naar den rijken man ; hij wil het niet, geenszins als ware hij zelf even onbarmhartig geworden, als de rijke weleer tegenover Lazarus was, maar omdat God het niet wil. Stake de rijke man zijne bede. Het is te laat. Even onmachtig als hij zelf is om zich te verlossen, zijn het de bewoners van het paradijs, Abraham ingesloten, de man op wien hij vertrouwd heeft, en op wien hij nog hoopt. Er is maar één Verlosser; wee den mensch, die hem versmaadt, en vleesch tot zijn arm stelt.

Hoe gelukkig zou deze man thans zijn als hij, in plaats van op zijn geld en zijn stamvader, op God zijn betrouwen had gezet! Waar het geloof den mensch brengt, kan men aan den armen Lazarus zien. Het was het eenige wat hij had; maar het was meer dan al de schatten van den rijke, naardien het hem den toegang verleende tot het paradijs. Zijne armoede verhinderde hem 0111 aalmoezen te geven, offers aan te bieden, tienden op te brengen, en zich door wettische werken de zaligheid te verzekeren. Hij was maar een arme bedelaar, voor wien niemand in den tempel bad, en die geen plaats had in de synagoge. Ook zijne armoede bracht hem niet in den hemel; veeleer is deze, blijkens Agurs bede, even goed als de rijkdom, eene gevaarlijke verzoeking, die men slechts met moeite en onder veel strijd te boven komt. Niets dan zijn geloof: „God is mijn Helper" heeft hem behouden. Welgelukzalig is de bedelaar, die op God vertrouwt. Abraham erkent hem als zijn kind en neemt hem in zijn schoot; want „zij, die uit het geloof zijn, zijn Abrahams kinderen, ') en „worden met den geloovigen Abraham gezegend". -)

Op meesterlijke wijze maakt Jezus thans de toepassing

1) Gal. 3:7. 2) Gal. 3 : 9.

Sluiten