Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERINNERING AAN ONZE DOODEN.

VOOR DEN LAATSTEN AVOND VAN HET JAAR.

Wij zagen onze liefsten sterven ; en terwijl zij streden, weenden wij. Zoo vast was ons hart met het hunne saamgegroeid, dat het er slechts met geweld van losgescheurd worden kon. De dood had geen medelijden. Hij reet ons levend vanéén; als een verminkte helft bleven wij over, en kenden ons zeiven nauwelijks weer. Toen voelden wij, dat de smarten der liefde even groot als hare wellusten zijn. Want als we niet bemind hadden, zouden wij ook niet geleden hebben ; zij toch, die aan onze stervenden vreemd

waren, weenden niet.

De oogen van onze stervenden waren ook droog. De dood is een kamp; en onder het strijden ziet men wel zweetdroppelen, maar nooit tranen vallen. De traan behoort bij het leven, om het te ontlasten van de smart, die het dreigde te verstoren; vandaar komen onze kinderen schreiend ter wereld. Waar de dood komt, wijkt de traan; zijn adem is als de noordewind, die de bronnen verstijven doet, zoodat hunne wateren niet meer vloeien. O, harde dood! die tranen brengt, waar de vreugde lachend van hare onsterfelijkheid droomt, en tranen droogt, waar de smart naar één droppel lafenis zocht. De dood heeft geen troost.

Sluiten