Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zicli de blikken der aanzittenden, nu en dan, door een sluier van vroolijke tranen henen, naar het allerheiligste, waar de hoogepriester zich bevindt; „zie", zeggen zij tot elkander, „wanneer keert Hij weder?" Een stille, zachte Trooster vervangt wel zijne plaats in hun midden; maar die verlangt en roept zelf in het hart der bruid: Kom Heere Jezus! Hij vertoeft, o zoo lang; waarom blijven de gangen zijner wagenen achter? kom, o kom — van dezen kreet wordt het heiligdom vol. Wat, was het zijn echo, die wederkeerde, of kwam er uit het allerheiligste een stem ? Wacht maar; gij zult zien. Een engel daalt langs de trappen, die het hemelsche heiligdom met de heilige plaats der priesters verbinden, neder; hij heeft een woord aan een der gasten. Deze staat op, weent een weinig, maar de Trooster schiet toe, en spreekt hem moed in ; nog één handdruk, trouw en

warm, een laatst vaarwel reeds is de engel met hem

verdwenen. In zijn armen draagt hij hem naar boven; de Trooster gaat mede; de voorgang opent zich ; de bruidegom gaat uit hem te gemoet, en laat al zijn harpen voor hem spelen. Een mantel valt; de hand van een vriend neemt hem op, en in een zijner verborgene plooien, leest men het woord: „volg mij". Een vroolijk lied stijgt achter den verheerlijkte op.

Zoo lang wij op ons zeiven staan, als verlatene schepselen, als verweesde kinderen, blijven wij in onzen dood. Om uit dezen dood verlost te worden, moeten wij in eenen anderen dood ingaan. In welken ? Immers in dien van Christus. Deze dood toch verbergt leven in zich; getuige de opstanding ten derden dage. 't Is gelijk de apostel zegt: „indien wij met Hem gestorven zijn, zoo zullen wij ook met Hem leven". ') Tot deze, in den doop ons voorgestelde, gemeenschap aan den dood van Christus, brengt ons het waarachtig geloof. Een ieder, die Hem erkent voor de

1) Rom. 6 : 8.

Sluiten