Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven te zijn; het huwelijk is verbroken, de gemeenschap is opgezegd, zoodat hij, in Christus, als een doode staat tegenover zijn eigen, zondig, vleeschelijk leven. Dat is de dood van den ouden, aardschen mensch. Alle dood nu is ontbinding, zoodat, in dezen dood de persoon des menschen, die tot dusverre in, uit, voor en tot het vleesch, dat is, het zelfzuchtig en zinnelijk leven leefde, dat in ziel en lichaam zijn zetel en uitgangspunt had, door de vereeniging met Christus van hetzelve gescheiden wordt, en er niet meer in leeft. Dit „lichaam der zonde" gelijk de apostel het noemt') moet nu te niet gedaan worden; zijne vernietiging toch wordt door den dood van den ouden mensch beoogd en tevens bewerkstelligd. Het blijft nog een wijle tijds bestaan als eene verzoekende en belemmerende macht, maar naardien de vernieuwde persoon des menschen het zijn voedsel onthoudt, zoo neemt zijne kracht van tijdperk tot tijdperk af, tot het ten laatste, bij den dood, geheel wordt afgelegd. Alzoo is de geloovige in en met Christus reeds gestorven voor hij sterft, en deze dood heeft met dien van zijn hoofd gemeen, dat hij eene daad is, eene vrijwillige aflegging van het verdorven en veroordeeld leven. Derhalve komt de dood, als hij met zijn zwaard den christen wil vellen, te laat, en vindt in plaats van een levende, dien hij wachtte, een doode, een die reeds gestorven is.

De dood van Christus is zijn dood geweest; wat zal de dood hier doen? Zal hij ook den doode dooden? Hij heeft hier niets meer te verrichten, alleenlijk heeft hij den geloovige te helpen om het „lichaam der zonde", waar hij al zoo lang over geklaagd en tegen gestreden heeft, zonder er ooit geheel naar zijn wensch los van te kunnen worden, ten volle te niet te doen. Dat werk verricht de dood; en alzoo wordt hij van een vijand een helper, en van een koning een dienaar, een bondgenoot van den nieuwen mensch,

t) Roin. 6 : 6.

Sluiten