Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewerkt, terwijl daarentegen in andere perioden des jaars veel werkloosheid heerscht. Regelen, omtrent aanvang en einde van den werktijd en den schafttijd, bestaan niet. Bovendien is ook te dezer stede het stukloon inheemsch, zoodat nóch overwerk, nóch nacht- en Zondagsarbeid voor extra loon in aanmerking komen. Dit zweetstelsel wordt door de werkgevers gehandhaafd met een beroep op de buitenlandsche concurrentie. — In het 5e Jaarverslag (1905 —1906) van den Rotterdamschen Bestuurdersbond (Rapport van de Rotterdamsche Sociaal-democratische Studieclub) is vermeld, dat de normale arbeidsdag voor confectiewerksters is van 's morgens 8 tot 's avonds 6 uur: echter wordt er dikwijls tot 7 uur, ja zelfs wel tot half acht gewerkt. De schafttijd duurt gewoonlijk 1 uur; op groote inrichtingen of fabrieken wordt alsdan op de werkplaats geschaft, terwijl men in kleine inrichtingen 1 uur naar huis mag gaan om te eten. In die kleinere zaakjes wordt het echter dikwijls savonds later, soms wel 10 of 11 uur, zonder meerderen s c h a f 11 ij d, en voor hen die in weekloon werken, zonder eenige extra vergoeding.

Ook uit Eindhoven en 'sGravenhage vonden wij berichten omtrent langen arbeidsduur. Zóó wordt b.v. in No. 27 van de „Naaisters- en Kleermakersbode" (15 Juli 1906) medegedeeld dat voor de firma Kattenburg te 's Gravenhage wel werktijden worden gemaakt van 123 uur per week.

Loonen. Ook ten opzichte der loonen is weinig goeds te zeggen. De een laat per stuk, de ander per uur, weer een ander per week werken („Naaisters- en Kleermakersbode" No. 24, 1 Mei 1906). De schandelijkste staaltjes van sweating zijn te vermelden. Zoo moeten breisters hare machines van den werkgever koopen, afbetalen, en dan voor lager loon werken (verslag 6e Inspectie 1895 —1896 blz. 54). Kenschetsend voor den toestand was de verklaring van een leverancier, dat hij geen hooger loon kon geven, wilde hij nog kunnen mededingen naar groote leveranties, als b.v. die voor het Rijk (verslag 3e Inspectie 1899-—1900 blz. 364)- Des te sterker treft het bericht („Het Kleedingbedrijf" No. 8, 15 Januari 1908) dat te Alkmaar de kleermakersloonen, die 15 a 17 cent per uur waren, zijn verlaagd.

In Amsterdam worden de hoogste loonen behaald door de mantelmakers, n.1. 23 a 25 cent per uur. De kleermaker-maatwerker verdient er 15 k 19 cent per uur (gemeentelijk rapport blz. 22). Omstreeks het jaar 1900 werd bij de kinderconfectie verdiend, door machinenaaisters f3 a f7.— per week; handwerksters f2.50 k f3.—; knoopsgatenmaaksters f5. a f6.—; en strijksters f4.— k f6.— per week (gemeentelijk rapport blz. 49). In den laatsten tijd bedongen de confectiewerkers: voor mannen 25 cent en voor vrouwen 12 cent per uur. Persers verdienen f4.— è fn.—, machine-

Sluiten