Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stiksters f4.— a f6.— en handwerksters f2.— a f4.50 per week (antwoord op onze vragenlijsten en „Naaistersen "Kleermakersbode" No. 24, Juni 1906). De gemiddelde weekverdienste van een alleszins bekwame modenaaister op de groote ateliers varieert van f4.— tot f6.—. Deze verdiensten worden echter slechts gedurende den drukken tijd behaald (G. R. blz. 45). Het gemiddelde loon van een linnennaaister, werkzaam in een fabriek, bedraagt f3.— a f5.— per week. Op de fijnere ateliers kunnen de loonen stijgen tot f 6.— a f 7.—. „Vele naaisters, die zulk een loon kunnen maken, zijn er niet" (G. R. blz. 58). Kinderarbeid wordt gewoonlijk niet betaald.

Typeerend is ook dat de kleermakers, die uniformen voor de gemeente maken, tegenover de gemeente in dezelfde verhouding staan als de andere kleermakers tegenover den confectionneur of patroon. Ditzelfde geldt voor de Marinedirectie.

I11 Eindhoven verdienen kleermakers 40 centen per... dag („N.- en K.-bode" Mei 1906). De weekloonen zijn er, niettegenstaande een 12- a 14-urigen arbeidsdag, 3°°/o lager dan in Groningen. Knechts verdienen er f2.—- a f3.— per week plus den kost. Voor overwerk wordt 5 a 7V2 cent per uur betaald („N.- en K.-bode" van Mei 1907 en „Het Kleedingbedrijf" No. 5).

Om tegen de laagst mogelijke loonen te kunnen laten werken, geven sommige tricotfabrikanten werk aan vrouwen en meisjes mee naar huis, dat deze dan in hun „vrijen tijd" mogen afmaken.

Gevolgen van den langen arbeidsduur. Het spreekt vanzelf dat deze groepen arbeiders en arbeidsters de gevolgen van den overmatig langen arbeidsduur en van de zeer lage loonen, aan den lijve moeten voelen. In meergenoemd gemeentelijk rapport van 1900 vonden wij daaromtrent de volgende uitingen:

„Ook in Nederland is de sterfte onder de kleermakers grooter dan de gemiddelde sterfte in alle leeftijdsgroepen van den 18tot 50-jarigen leeftijd. Bedroeg de gemiddelde sterfte der bevolking in de jaren 1891 — 1895 8,20 per 1000 zielen, zoo was daarentegen de sterfte in de bedoelde beroepen 10,27. Dit verschijnsel deed zich voor in alle leeftijdsgroepen, zooals blijkt uit volgend staatje:

Totale sterfte Sterfte van

Leeftijd. per jaar op 1000 kleermakers >p

mannen. 1000 per jaar.

18—24 6.62 10.56

25—35 7.01 9.06

36—50 10.52 11.22

Deze verschillen worden bijna geheel verklaard door de grootere sterfte der kleermakers aan long- en keeltering en aan suikerziekte, zooals uit de volgende cijfers duidelijk zal worden:

Sluiten