Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak te bedoelen. Zelfs is mogelijk dat het door een tegenslag verzwakt prestige eenig direkt nadeel insluit. En toch — wanneer de leider een nederlaag op een bepaald punt, hoe gewichtig ook, heeft kunnen vergeten en vergeven, wordt ook de zaak ten slotte beter gediend door het verhoogde zedelijk gezag van den persoon. De overwinning die met het geweld van onwaardige wapens bevochten wordt, is de eenige werkelijke nederlaag.

Troelstra beklaagt zich over een stelselmatige tegenwerking door de N. Tijd-groep. Het vorige Partijbestuur heeft de klacht onderzocht en na kennisneming van alle stukken met algemeene stemmen vastgesteld dat van een zoodanige tegenwerking niets te vinden is De lezer zal zich hier nogmaals kunnen overtuigen dat de geschillen zeer belangrijke en voor de Partij gewichtige vraagstukken betroffen. Er zou slechts een middel zijn geweest om Troelstra op deze punten niet „tegentewerken": nl. alle onderscheid van meening te verzwijgen.

„Ja, zegt misschien iemand, maar die algemeene beschuldiging van „opportunisme" enz. had achterwege kunnen blijven. Misschien, maar zeker dan ook de algemeene beschuldiging van „dogmatisme", waarmee de anti-Nieuwe ïyd-groep steeds gereed staat. Doch wij hebben al gezegd dat de bewoordingen tegen de opinies van Troelstra en anderen gebruikt, geen speciaal persoonlijke strekking hadden, maar de vaststaande uitdrukkingen zijn waarmee die soort van gevoelens overal in de socialistische partijen worden aangeduid. De vraag is hier niet of die uitdrukkingen juist zijn, maar of het gebruik een persoonlijke beleediging beteekent. Dit is het wat wij nadrukkelijk ontkennen. Er zal gelegenheid zijn over hare beteekenis nader te spreken, wij willen hier nog alleen doen opmerken dat een persoon of groep die andersdenkenden verwijt de eischen van de praktijk te verwaarloozen, zich niet persoonlijk getroffen kan achten door het verwijt van opportunisme. De politiek, zei Troelstra meermalen, is een kunst, de kunst om het beginsel toe te passen, en een kunst die gij, N. Tijders, niet verstaat. Indien dit zoo is, dan moet elke aanmerking van dien kant door hem worden beschouwd als een teeken te meer van eigen beter inzicht. Eenmaal zelfs heeft hij in een opzettelijk daarvoor ingerichte brochure („Theorie en Beweging", 1902) het bewijs trachten te leveren dat wat de „dogmatici" in hem afkeurden, juist zijn verdienste en zijn kracht was. Hij heeft in die brochure het stelsel van het opportunisme (hoofdzakelijk te letten op wat men houdt voor de eischen van het oogenblik) uitdrukkelijk geprezen en aanvaard. Welk een houding geeft het dan, tegelijkertijd steen en been te klagen over het „wantrouwen" van de slechte partijgenooten die hem „opportunist" noemen. Een der eersten die Troelstra zoo genoemd heeft is Troelstra zelf!

Doch hoe dit zij, met de teekenen van meeningsverschil, zelfs met scherpe uitdrukkingen in debatten daarover, wordt de positie van een leider niet blijvend geschaad. Geschaad wordt ze veeleer door de manier waarop de leider het meeningsverschil behandelt. Niet door wat anderen zeggen, maar door wat hij zelf zegt. Niet door wat

Sluiten