Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den zoo gesteld dat zij er een „zelfstandig bestaan' uit kuunen maken.

Zoo mogelijk nog treffender, en uitdrukkelijk aangewezen als een teeken „van den gansch anderen kijk (dien) onze vrienden van De Nieuwe Tijd op deze zaak hebben dan hij" schreef Troelstra na het Kongres (Volk van 12 April 1901). Men kan zijn eigen oogen niet gelooven dat de leider van een socialistische partij ooit zoo iets heeft kunnen neerschrijven — en toch is het volkomen^ naar de regelen van de opportunistische taktiek. Henr. Roland Kolst had gezegd op het kongres:

„Zeker, er zijn op het platteland nog veel arbeiders, die meenen dat hun ziel en hun zaligheid van het hebben van een klein stukje land afhangt. Maar dat mogen wij nietaankweeken, want dan zouden wij een klasse van menschen vermeerderen, die geen sociaaldemocraten kunnen zijn Wij moeten juist in die menschen de hoop wekken dat alleen de sociaaldemocratie hun een gelukkig leven kan brengen."

Hierop antwoordt Troelstra:

„Heel goed gezegd; uitstekend zuiver op de graat; maar

toch ....

Die arbeiders, zoo weinig thuis in het Marxisme, hebben des winters honger als zij op eigen of gehuurden grond geen aardappels hebben verbouwd.

Ik stel me mevrouw Holst voor, tot die menschen betoogende, dat het toch heel dom is zoo hun ziel en zaligheid op een stukje grond te zetten, want dat toch alleen het socialisme .... enz. enz.

Zorgt dat zij den grond op de voordeeligste wijze in gebruik krijgen, zoo mogelijk koöperatief leeren bebouwen maar zorgt in elk geval dat zij hem hebben, want daarop komt het voor hen eerst aan.

Eene arbeiderspartij, die ter wille van theoretische overwegingen een deel der arbeidersklasse, dat haar hulp noodig heeft, in zijn benauwdheid en ellende, met „hoop op het socialisme afscheept, zal zeker weinig kans hebben, die arbeiders voor hare beginselen ontvankelijk te maken!"

De schrijver betoogt verder dat wij de bevordering der socialistische voortbrengingswijze hoofdzakelijk aan de ekonomische ontwikkeling zelve moeten overlaten, en dat wij meer te doen hebben dan het organiseeren van de arbeiders, „al is dit ook ons voornaamstG werk.*'

„Wij hebben te doen, schrijft Troelstra, wat noodig is, om de ellende der armen te verzachten — kan het, op eene wijze, die tevens hunne gedachten in onze richting stuurt. kan dat niet, dan toch en in elk geval, omdat wij niet een kliekje politici, maar het hongerende volk zelf moeten zijn, in zijn rechtmatig streven, om zich reeds thans, op den bodem der huidige maatschappij van het noodige te voorzien."

Ten slotte vraagt en vermaant Troelstra nogmaals:

i

Sluiten