Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ . . . maar als de landarbeider dan omkomt in honger en ellende, omdat de arbeiderspartij zoo zuiver op de graat is — wordt hij dan beter socialist? Als hij van particulieren voor hoogen prijs pacht, omdat de gemeente niet anders dan koöperatief mag laten bebouwen en daarop nog geen kans bestaat, wordt hij dan meer geschikt voor onzen strijd?

Hoe denken de landarbeiders hier zeiven over?

Zelfs een partijgenoot-landarbeider had verklaard: „Och, als we maar grond hadden!" — zei Mevrouw Roland Holst op het Kongres, blijkbaar verwonderd over zoo weinig inzicht.

Ik zeg haar: zorg dat hij grond bezit; hoe hij hem bewerken zal dat komt eerst in de tweede plaats aan de orde: eerst leven, dan de theorie."

Zoover zijn inmiddels de meesten wel gekomen dat zij in deze beschouwing de „theorie" van den diakonie-bestuurder, niet van den sociaaldemokraat zullen herkennen: en weten dat deze niet straffeloos de leer overneemt van den filantroop. Als wij ophouden deze voorwaarde aan onze agitatie te stellen, dat zij „de gedachten der menschen in onze richting te sturen" heeft, dan zal onze agitatie zich weldra principieel in niets meer van die van eenige andere partij onderscheiden, die ook voor de arbeiders „iets doen wil." Hoogstens zou dan het socialisme méér dan andere partijen voor de arbeiders willen doen, overeenkomstig de dwaze of kwaadwillige voorstelling dat wij hen pogen te trekken door hun zooveel mogelijk te „beloven." Neen, „wij" moeten niet het „hongerende volk" zijn, maar het hongerende volk moet tot het socialisme komen, getrokken niet door elke toezegging die voordeelig schijnt, maar door het wakker te roepen besef dat het zich alleen door de sociaaldemokratie zal kunnen bevrijden. Wij kunnen den arbeiders niets geven, dan alleen den wil en het inzicht om te nemen. En, zooals de agrarische kommissie zeide, zouden we een groep hier of daar iets kunnen geven in den door Troelstra aanbevolen zin, dan zou dit hoogstens zijn „een zelfstandig kleinburgerlijk bestaan" dat hen veeleer van het socialisme zou afbrengen.

Troelstra heeft in dit zelfde artikel nog een uitspraak gedaan die als de kern van het theoretisch opportunisme onze aandacht verdient.

„ . . . het dient erkend, schreef hij, dat elke hervorming op den bodem van het kapitalisme in theoretisch opzicht hare bedenkelijke zijde heeft. Het heeft dan ook eenigen tijd geduurd, voordat de sociaaldemokratie zich met ernst op die hervormingen heeft toegelegd Thans doet zij dat wél; niet uit politieke berekening, als de burgerpartijen; maar omdat zij uit arbeiders bestaat wier direkt belang er bij betrokken is. De macht die zij heeft verplicht haar tevens, deze voor direkte verbeteringen te gebruiken.''

Vergissen we ons niet, dan wil dit zeggen: hervormingen maken de menschen minder ontevreden, verzwakken de socialistische aktie. Men moet daarom uit een theoretisch oogpunt redeneeren dat hervormingen „bedenkelijk" zijn. Daarom hebben de sociaaldemokraten

Sluiten