Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gend verweer voorbij, de „vuurdoop" aanstaande — gaat hij voort: „Natuurlijk zou er geen reden zijn, ons protest tegen de voorgestelde dwangmaatregelen op zóó krasse, ingrijpende wijze te toonen, indien de Regeering en de Kamer den arbeiders den tijd lieten voor een gewone agitatie tegen het ontwerp."

Vóór er echter iets bepaalds gebleken was over de manier van behandeling, had Troelstra den inhoud van de wetsvoorstellen al genoemd: (No. van 27 Febr.)

„een uittarting van de gansche Nederlandsche arbeidersbeweging, om tegen deze brutale aanranding harer noodzakelijke rechten, alle wettige middelen van verzet en verweer uit te putten . .

en voorspeld:

„dat ^ uit dezen strijd, dien alle georganiseerde arbeiders met geestdrift en leeuwenmoed aanvaarden, het Nederlandsche proletariaat gelouterd en gesterkt zal te voorschijn komen."

Een zeer ongewone agitatie dus, achtte Troelstra in zijn allereerste opstel over de ontwerpen noodig, we herhalen : vóór de Kamer iets over de wijze van behandeling bepaald had. Twee X 24 uur lateiverschijnt het Volk met de stellige bewering dat de haastige behandeling het groote kwaad is . . .

„Wij twijfelen er geen oogenblik aan of, indien dit onderwerp op de gewone wijze ingediend en behandeld ware, en het publiek dus den tijd had om van de opwinding te bekomen, een gewone kampagne in de pers, in meetings enz. voldoende ware geweest om het ding den weg van het duitsche „tuchthuis-ontwerp" (de voddenmand) te doen opgaan."

De strijd, aangekondigd tegen den inhoud van de wetten, als een die het Nederlandsche proletariaat zou „louteren en sterken." — een zeer ongewone strijd dus — wordt hier een „gewone kampagne", die volkomen voldoende zou geweest zijn, als de behandeling maar niet zoo overhaast werd.

Troelstra gaat door met tegen deze „overrompeling" de onvermijdelijkheid eener tweede staking te stellen, waarvan we reeds zeiden dat ze kwalijk als een protest alléén kon worden opgevat, nu in dit gedeelte van het artikel wederom van een boos opzet sprake is; men „overrompelt" zijn vijand toch wel niet anders dan met voorbedachten rade. — Aan het slot vraagt Troelstra uitstel tot een tijdstip, waarop de beroering is geweken en het koel verstand weer in alle kringen zijn rechten heeft hernomen.

„De arbeidersvereenigingen (besluit hij) hebben dan den tijd voor een zakelijke beoordeeling en bespreking der ingediende maatregelen ; de kamerleden zijn dan in staat, deze gewichtige veranderingen in ons strafrecht ernstig te bestudeeren; de Regeering kan een onderzoek instellen of nu werkelijk zulk een paardemiddel noodig is, om tot een oplossing te komen; het Nederlandsche volk kan van de zaak kennis nemen, en zich een oordeel vestigen."

Zooals men ziet: de geheele „zaak" is niet veel anders dan een ongelukkige inval van de Regeering geworden, die door rijp

4

Sluiten