Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles gezet en wanneer morgen de Kamer bijeenkomt, om den toestand te bespreken, zal het haar onmogelijk zijn de oogen te sluiten voor het feit, dat die toestand hoogst ernstig is.

De leiders der beweging kunnen' thans het aangename besef hebben, dat het niet meer noodig is, de massa op te wekken ; zij is reeds opgewekt, haar revolutionair instinkt ontwaakte en zij is tot groote dingen in staat."

Zóó hebben^ ongetwijfeld vele „leiders der beweging" inderdaad gedacht. „Holden ' zij, ook na dit artikel, nog een beetje harder „door naar de (politieke) werkstaking," wij vragen: wie heeft hen aangespoord'? Ln ook vragen we: komt het den schrijver van die aansporing toe, met het oog op zijn strijdgenooten die minder goed dan hij waren ingelicht, in zijn brochure te schrijven:

„Ik had verder te zien dan zij, die alleen op de uiterlijke dingen afgingen; ik had te zorgen, dat, als eenmaal de Nederlandsche arbeiders van mijn doen verantwoording zouden eischen, ik zou kunnen toonen, met kennis van zaken en in 't bewustzijn van de gevolgen te hebben gehandeld." (blz. 42).

Wat de vermaningen in de tweede helft van het stuk betreft, men gevoelt dat ze na dezen aanhef, die beweringen bevat in lijnrechte tegenspraak met de aan den schrijver bekende waarheid, weinig indruk moesten maken. Dat de arbeiders geen overijlde dingen moesten doen, nu de regeering gewapend tegenover hen stond; dat ze niet, als vroeger, moesten hopen de bourgeoisie „met geweld" te verslaan, dat zij moesten oppassen voor het behoud van hun organisatie — wat kon het in dit verband anders beduiden dan de zeer algemeene waarschuwing om voorzichtig te zijn, geen gewelddadig oproer te maken enz. Troelstra heeft ook de gevaren van een werkstaking onder het oog gebracht:

„Zet de vijand, schrijft hij, zijn moordval voor u open, gij zult er niet in loopen. En tot den uitersten strijd, de werkstaking, zult gij alleen overgaan, als het moet, en gij de zekerheid hebt dat zij uwe vakorganisatie, dat werk van zooveel jaren van moeite en vlijt, niet aan ontbinding en vernietiging ten prooi stelt Arbeiders, blijft nuchter en

ivaaktü"

maar wanneer de man die geacht moest worden bij uitstek kalm en waakzaam en van alles goed op de hoogte te zijn, begint met de verzekering dat „het zoo goed gaat," en dat de kracht en de revolutionaire gezindheid nooit zoo groot waren als thans, dan kan toch niemand in deze woorden de waarschuwing hebben gelezen dat het slecht stond met de vooruitzichten van een ticeede staking! De interpellatie van den volgenden dag berustte, gelijk Troelstra herhaaldelijk heeft betoogd, op zijn kennis van den ongunstigen toestand. Had hij, schreef hij in het Volk van 6 Juni, anders gesproken, en in plaats van een poging tot kalmeering te doen, „uit een groot gat geblazen, dan zou hij öf een komediant, öf een gewetenloos mensch zijn geweest."

Niettemin blijft het een feit dat het gat waaruit hij den vorigen

Sluiten