Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien door zijn voordurende aanvallen op het partijbestuur van 1905—06 zich zelf het recht ontnomen ooit weer respekt te eischen voor een der leidende organen van de Partij. Zijn daden met zijn woorden vergelijkende, bespeurt men aanstonds dat Troelstra alleen opkomt voor het gezag en het vertrouwen verschuldigd aan de organen — die Troelstra bestuurt.

Wat „Gorter en zijne medestrijders van mijn arbeid" niet wilden begrijpen, schrijft Troelstra, was

„dat er oogenblikken zijn. waarin men zijn zin moet weten te volgen, althans te zwijgen;

(Uitmuntend gezegd, maar niet zoo goed door den schrijver toegepast — V. d. G.)

dat hij zelf van den hoofdredakteur in die dagen heeft geëischt leiding, liefst vaste leiding."

(Natuurlijk in overeenstemming met het optreden van de kommissie waarin de S. D. A. P. gerepresenteerd was, zoolang de gezamenlijke aktie duurde);

„maar dat leiding van een hoop individueele personen, die elk voor zich meenen het beter te weten dan de leider, en, indien zij het met hem oneens zijn, zich zelf in zijn plaats stellen en tegen-leiding geven onmogelijk is;"

(Troelstra vergeet hier, zooals altijd, dat hij met zijn tègenleiding den „arbeid" van de propagandisten van het Komitee belemmerde zonder er iets wezenlijks tegenover te stellen: het was waarlijk wel de tijd om in de stormbewogen vergaderingen aan te komen met nadere belijningen en fijne onderscheidingen tusschen diverse soorten van stakingen, terwijl iedereen wist dat de eenige kwestie was: zullen de arbeiders de regeerders of zullen de regeerders de arbeiders dwingen. Een gerechtvaardigde grief is veeleer dat de propagandisten, die met en onder de arbeiders den strijd streden, in 't geheel niets hadden aan het sociaaldemokratisrh orgaan, althans aan de hoofdartikelen. De „tegen-leiding" waarover Troelstra zich beklaagde is een noodzakelijk tegenwicht geweest — V. d. G.);

„dat alleen de Partij zelve, en later het Partijbestuur, het • recht had om in de moeielijke omstandigheden van toen te beslissen, of het noodig was, de leiding van dat andere orgaan der Partij, de redaktie, tegen te werken — en dat het P. B. het niet wenschelijk heeft geacht, daartoe over te gaan."

(De laatste opmerking verlist veel van haar waarde als men bedenkt dat Troelstra zelf invloedrijk lid van het Partijbestuur was. Bovendien geldt hierdat de partijbestuurders feitelijk, gelijk Troelstra op andere plaatsen herhaaldelijk aanvoert tot zijn verdediging, de leiding aan het Komitee hadden opgedragen. — V. d. G.)

„Wat Gorter verder vergeet — of misschien ook niet vergeet — is, dat een aanval als deze niet wordt gericht tegen een vertrouwenspersoon der Partij, die men als zoodanig wil behouden, doch tegen iemand, die men als zoodanig in het algemeen voor de Partij nadeelig acht en dus kwijt icil zijn.' (bl. 50).

Wij komen terug op het meer algameene verwijt aan het slot

5

Sluiten