Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwd. Doch hoe dit zij: de stryd om beginselen is steeds gevoerd niet met het oog op één persoon, maar om de massa der partij genooten te stemmen voor wat wij beschouwen als de juiste socialistische taktiek. Die taktiek, hebben wij gemeend, moest niet door een leider voorgeschreven, maar door de socialistische partij uit eigen beweging worden aanvaard. Door de propaganda voor zekere denkbeelden te richten tegen een bepaalden persoon zouden wij onze denkbeelden niet hebben bevorderd. Het is omgekeerd Troelstra geweest die de propaganda voor onze beginselen steeds heeft uitgelegd als tegen zijn persoon gericht, en daarmee die beginselen willen tegenwerken.

Doch een leider die op deze wijze de verschilpunten behandelt maakt de vrijheid van spreken tot een fraze. Eenigszins heeft Troelstra altijd zoo gedaan. Sedert het Haagsche kongres, echter, heeft hij van deze politiek een stelsel gemaakt: de hem onwelgevallige meeningen gewraakt als aanvallen op zijn karakter en zijn eer.

En dit is thans ook de strekking van zijn beschuldiging dat hij verplicht is geworden de redaktie neerteleggen van Het Volk. Ziet, roept hij de partijgenooten toe, zoover hebben die booswichten van de Nieuwe Tijd het gebracht, dat zij mij, uw leider en uw redakteur, hebben verjaagd uit mijn plaats aan onze kourant. . . Tot ons zegt hij: „gij hebt uw doel bereikt, maar schroomt slechts dat te erkennen." (bl. 81).

Of de beschuldiging al dan niet gegrond is, zou in 't algemeen geen vraag van groote beteekenis zijn. Hebben Gorter e.a. Troelstra het leven als redakteur onmogelijk gemaakt, was Troelstra voor iemand van zijn positie te lichtgeraakt, deze en dergelijke vragen zou de geschiedschrijver wellicht niet onbeantwoord willen laten. Maar eerst hierdoor krijgt de kwestie van Troelstra's heengaan een bijzonder belang, dat zij den aard van het optreden der anti-„N.Tijclgroep" beter dan iets anders leert kennen. Immers, indien bewezen kan worden dat Troelstra om andere redenen is heengegaan, dan is daarmee tevens bewezen dat de bewering die de telkens terugkeerende en voornaamste aanklacht tegen de „iV. Tijd-groep" uitgemaakt, op een verzinsel berust. Kan worden aangetoond dat de genoemde reden niet de ware is, dan is daarmee aangetoond dat Troelstra, om zUn „vijanden" te beter te treffen gebruik maakt van beweringen die op verzinsels berusten, dus van valsche beschuldigingen. Niet alleen dus, vervalt met dit bewijs een gewichtige aanklacht, maar tevens blijkt daaruit welke bedoelingen met de aanklacht bestonden. Het bewijs spreekt niet alleen op dit punt de „N. Tijd-groep" vrij, zoover het bewijst dat Troelstra slechts voorwendt door haar verdrongen [te zijn, maar overtuigt Troelstra van een strijdwijze die geen onwaarheden versmaadt om partijgenooten te treffen.

Tot het leveren van dit bewijs gaan wij thans over. Het is een onverbiddelijke noodzakelijkheid dat *de beweegredenen van Troelstra's drijven eindelijk in het juiste licht verschijnen. Wij zullen doen zien dat Troelstra de oorzaken van zijn ontslag als redakteur van het partijorgaan verkeerd voorstelt, alleen dus, om Gorter c.s. in de oogen van de massa der leden zwart te maken.

Sluiten