Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaststellen, zullen we nader zien dat in ieder geval de latere mededeeling van Troelstra uit de lucht is gegrepen.

Lettende op wat omstreeks den tijd van zijn ontslag is voorgevallen, hebben wij al dadelijk de demonstratie aan het slot van de zittingen te Enschede met deze woorden door Troelstra beëindigd;

. . . het moet hier blijken dat wij als trouwe broeders tezamen zijn. De vyand moet zien dat hij zich de tanden zal stuk bijten op de rots onzer solidariteit. Spr. noodigde Gorter uit als teeken daarvan op het podium te komen om hem de hand te drukken."

„Gorter," zegt het verslag verder, snelt naar het podium en beiden drukken elkaar langdurig de hand. (Luid, langdurig applaus en geestdriftig gejuich.) Het kongres barst uit in den Socialistenmarsch."

Dat Troelstra inmiddels reeds tot het besluit was gekomen dat de tegenwerking en het wantrouwen van den man om wiens handdruk hij verzocht, hem onmogelijk maakten verder als hootdredakteur te fungeeren, willen we, ook tot Troelstra's eer, niet aannemen. Zooveel is zeker: na die betooging heeft niemand kunnen denken dat Troelstra met deze gedachte naar huis is gegaan: Gorter, gij hebt de maat volgemeten, ik leg mijn redakteurschap neer.

Doch niet slechts op het kongres, als een plotselinge opwelling van zijn beter ik, ook daarna, schrijvende in het Volk, heeft Troelstra de eensgezindheid van alle bij den strijd betrokken partijgenooten geroemd, en tevens doen uitkomen dat hij persoonlijk alle reden had om over den afloop tevreden te zijn. Duidelijk zijn de gevoelens waarmee Troelstra het kongres heeft verlaten in de kourant weergegeven.

Zoo schrijft de redakteur in het No. van 5 Juni 1903 in een artikel dat ^betiteld is met dezelfde vraag die wij thans stellen: „Ernst of Komedie?" over de beteekenis der door hem ingeleide demonstratie te Enschede. Zij moest „toonen"'

„dat al onze disputen en verschillen ons niet verhinderen, als goede kameraden verder te strijden."

De „twee mannen die door onze vijanden voortdurend tegen elkander worden uitgespeeld, drukten elkander ten blijke van solidariteit de hand." Het was een „uiting van geestdrift en broederschap." Van eenig in de toekomst te vreezen nadeel is geen sprake. Dat de onderlinge kritiek „de eenheid van daad en strijd niet verbreken" kan, bevat „de waarborg voor de duurzaamheid onzer Partij." Dat is ook weer te Enschede gebleken waar „zooveel kritiek over en weer werd geoefend." Natuurlijk, „verschil van inzicht" zal er blijven bestaan, en „de intellectueelen" zullen voortgaan met „hun stem te laten hooren." Het zal in do toekomst eer beter dan erger worden, verwacht Troelstra:

„. . . wij vertrouwen ook, dat er meer onderlinge voeling zal komen, dan tot heden, waardoor althans misverstanden zullen worden vermeden, en achten het even zeker, dat de noodzakelijke debatten, die wij dit jaar tegemoet gaan — de agrarische kwestie

Sluiten