Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maart 1902 niet is gegaan Maar, vraagt men misschien, maakt deze brief de latere gebeurtenis niet waarschijnlijker? Ook dat niet, meenen we.

Ten eerste betreft de geheele brief enkel de vraag of Troelstra, die sedert eenigen tijd z.g. „politiek redakteur" was, weer den naam en de verantwoordelijkheid van „hoofdredakteur" zou krijgen. Dit was door de afd. Amsterdam gewenscht, en Troelstra schreef aan het P. B. zich hiermee te vereenigen, schoon hij niet zelf de hoofdredaktie wenschte te aanvaarden. Van een aftreden als politiek redakteur, van een verbreking van den band tusschen het blad en hem is in dezen brief geen sprake. Troelstra deelt meê dat hij „op verzoek zijner medeleden in redaktie en partijbestuur zich ten slotte toch weer als hoofdredakteur beschikbaar heeft gesteld", maar ook indien hij dit niet had gedaan, zou in den bestaanden toestand niets veranderd, en hij als politiek redakteur gehandhaafd zijn geworden — tenzij, natuurlijk wat toen nóg minder waarschijnlijk was, het kongres aan iemand anders de hoofdredaktie had opgedragen.

Dit vermindert de ernstigheid van den aanklacht tegen de Nieuwe Tijd reeds aanmerkelijk. Troelstra heeft blijkbaar meer de gelegenheid gebruikt om zijn persoonlijke grieven te uiten, dan dat hij werkelijk van plan was aan zijn verhouding tot het Volk iets te veranderen. Gesteld dat het Partijbestuur niet geslaagd ware in de poging om Troelstra van zijn voornemen aftebrengen, wat zou dan op het Groninger kongres — bijeen gekomen daags nadat Troelstra's brief behandeld was — gebeurd zijn? Wat de redaktie van het orgaan betreft: niets dan dat de bestaande toestand gebleven was, met Troelstra als „politiek'' redakteur. Overigens zou zeer waarschijnlijk de bekendmaking van den brief met de daarin vervatte motieven als een springende bom gewerkt hebben onder de „intellektueelen" waarvan eenigen wederom zoo boosaardig waren van het standpunt van Troelstra in de Schoolkwestie opportunistisch te noemen, een verwijt dat weer andere intellektueelen evenzeer als Troelstra moest treffen, zonder dat zij daarom brieven van verontwaardiging schreven aan de bestuurders der gemeenschappelijke Partij. Een andere werking kon het schrijven van Troelstra niet hebben gehad.

Eindelijk wordt onze meening dat men hier niet met een ernstig voornemen te doen heeft, doch enkel met een schromelijk overdreven klacht, bevestigd door een uitdrukking in den brief zelf:

„Reeds voor het kongres van 1901 had ik uit do wijze waarop ik van de zijde der redaktie van de Nieuwe Tijd werd aangevallen, den indruk ontvangen dat het hier geen bloot toevallig verschil van meening gold, doch een begin van een kampagne tegen de leiding der Partij zooals men deze in mij belichaamd achtte." (bl. 35) [Bedoeld is de oppositie van Gorter e.a. tegen de agrarische programpunten die later, ook dank zij hun optreden, verwijderd zijn geworden — V. d. G.]

„Reeds voor het kongres van 1901" — vóór de vergadering te Utrecht, die met de meest bevredigende verklaringen van weerszijden eindigde, verklaringen dat het „bloot toevallig meeningsverschil" aan de goede verstandhouding der strijdende richtingen niet de minste

Sluiten