Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schade had gedaan. Toen reeds, dus, meende Troelstra dat er een „kampagne tegen de leiding" beraamd werd, niet tegen verkeerdheden in de leiding, neen: Troelstra heeft zich zelfs de allereerste teekenen van meeningsverschil, vóór het Utrechtsche kongres waar de agrarische kwestie werd behandeld, niet anders kunnen denken dan als vijandelijkheden tegen hém. Dit is de taktiek, die, tot volle ontwikkeling gekomen, nu bijna twee jaar lang de S. D. A. P. in rep en roer houdt, haar goeden naam en gezag bij de arbeidersklasse te grabbel gooit ....

Een ontslag als redakteur — wij zagen trouwens dat dit niet bedoeld was — kon Troelstra op de genoemde gronden niet werkelijk hebben verzocht. Een briefje van een Leidsch partijgenoot, waarin de schrijver hem onaangename waarheden meende te moeten zeggen ; vage aanduidingen van geruchten die „mij uit het kamp der intellektueelen bereiken": m.a.w. kletspraatjes van al te ijverige vrienden, worden onder de teekenen genoemd „hoe vijandig men mij gezind is, en al zijn vermeende of ware grieven tegen de beweging aan mijn persoon wijt." De intellektueelen zijn „verwaand" (omdat ze op sommige punten anders denken dan hij), trekken zijn „goede trouw in den verkiezingsstrijd in twijfel" (omdat zij in de een of twee gevallen de opportunistische taktiek aantoonen) enz. enz De bewering toen reeds! dat de redakteur gedwongen was „het grootste deel van zijn tijd en moeite aan interne partijzaken te besteden" is slechts een van de tastbare overdrijvingen die zijn vrienden zullen hebben doen glimlachen. Geen wonder dat men in het openbaar niets van dit „ontslagnemen" heeft vernomen, en dat de schrijver van den brief, die zich aldus deed kennen, de aanvrage nog spoediger terugtrok dan ze ingebracht was.

Zeer opmerkelijk is dat Troelstra over de feiten van zijn werkelijk vertrek in dit hoofdstukje zoo goed als niets meedeelt. Hij verwijst naar iets door hem gezegd te Enschede in 1903: dat de „N. Tijd-groep" zoo „dogmatisch" is, alle „beleid mist", en dat zij „zoeken naar slechte bedoelingen''. Maar dat Troelstra op ditzelfde kongres èn over de mogelijkheid van zijn aftreden, èn over zijn verhouding tot Gorter e.a. geheel anders heeft gesproken, ontneemt aan de herhaling van die dwaze klachten alle bewijskracht. Aan klachten, dit weten we, heeft het hem nooit gemankeerd. Maar de kwestie is of hij recht van klagen had, en in de eerste plaats: of hij om die grieven is afgetreden.

6

Sluiten