Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het publiek te oordeelen, die bovendien zijn persoonlijke eer en politieke vertrouwbaarheid waagden aan te randen. Zulken partij genoot en biedt men niet eensklaps bij de eerste gelegenheid dat men hun steun meent te kunnen gebruiken, een zoo verstrekkend akkoord aan, op grondslag van „een geregelde en vriendschappelijke betrekking.'' Zulke menschen laat men links liggen, zich verlatende op de groote meerderheid die altijd op de hand van Troelstra was, gelijk hij ook in den regel gesteund werd door de andere partij organen, het maandschrift De Nieuwe Tijd niet uitgezonderd, tenzij op bepaalde punten de richting van de redaktie van de zijne afweek. Er was niets gebeurd dat de groote verandering bij ons kon veroorzaakt hebben die Troelstra hier onderstelt. Doch toen hij zijn brief schreef, waarin nog over het gemis aan samenwerking wordt geklaagd, wist Troelstra wel beter. De „opbouwende vriendschappelijke medewerking'' die hij zeide te verlangen van de Nieuwe-Tijders, wier „schoon doel" hij noemde „de Partij te houden op den bodem der Marxistische leer, van den klassenstrijd", wist Troelstra dat hij niet te vergeefs zou vragen, omdat hij wist dat zij noch zijn klachten noch zijne beschuldigingen hadden verdiend.

Duidelijker dan ergens, misschien, blijkt hier dat deze beschuldigingen en klachten strijdmiddelen zijn en niets meer. Als het moet weet hij ze in den hoek te zetten, om ze morgen, zoo noodig, weer ter hand te nemen. Deze brief van Maart, waarin, natuurlijk met behoud zijner „zelfstandigheid en vrijheid van beslissing ', niets minder dan de stellige belofte van voorafgaande bespreking van elke „belangrijke nieuwe kwestie" werd gegeven, is, ongeloofelijkerwijs, gericht tot dezelfde personen wier totale onbevoegdheid juist in kwesties van praktische politiek — en tal van andere gebreken — in de woedende FoZ/c-artikelen van Juli aan vriend en vijand werd toegeschreeuwd. Nadat even een verreljaars was voorbijgegaan, volgt op „deze goedgemeende poging tot herstel eener ten ontijde verstoorde vriendschappelijke samenwerking-' (bl. 145) een stortvloed van verwijten en aantijgingen gelijk wel nooit in een sociaaldemokratische partij uit pen of mond gekomen is van iemand in de positie van Troelstra. En dat, terwijl het eenige meeningsverschil in dien tijd de kwestie van de herstemmingen voor de Kamer betrof, waarbij twee van de N. Tijd-redakteuren aan zijn kant stonden. En dat, ondanks de even korrekte als openhartige beantwoording van zijn voorstel, een beantwoording die Troelstra in tegenwoordigheid van het Partijbestuur bevredigend noemde! Bij deze aanvallen en later deed het argument van de kwaadwillige tegenwerking weer dienst. Doch welke waarde er aan te hechten is, ziet men in het voorstel van Maart 1905, waarop het rechte licht eerst valt bij vergelijking met de artikelen van Juli.

Nog sprekender, zoo mogelijk, is het feit dat Troelstra, na een konferentie waarbij door het P. B. waren uitgenoodigd Gorter en Van der Goes, zich bereid verklaarde eventueel het redakteurschap te aanvaarden — terwijl aan de voorwaarden door hem in zijn brief gesteld niet was voldaan.

Sluiten