Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkje. Zoomoesten wein hetlicht stellen dat de beschuldiging van Troelstra ongegrond was: de bewering van het wijken voor onze tegenwerking niet slechts onwaarschijnlijk maar onwaar. Het vorig Partijbestuur, daarentegen, heeft ook wel de onwaarheid gekonstateerd, maar met grootere uitvoerigheid de bovenstaande vraag behandeld die de waarschijnlijkheid betreft. Is het aannemelijk dat Troelstra om die reden is afgetreden ? Anders gezegd : Wie draagt, gesteld dat dit voorgeven van Troelstra juist zou zijn, van dat aftreden de schuld? Het kan zeer wel zijn dat Troelstra inderdaad gelijk heeft met zijn bewering, en nogthans, volgens derden, ongelijk met zijn beschuldiging. Troelstra kan voor zich zelf de overtuiging hebben dat hij door Gorter verdreven is - - uit de feiten blijkt dit anders — en toch kan volgens derden de houding van Gorter over 't algemeen geen afkeuring verdienen. Troelstra zou in dat geval de houding van Gorter verkeerd hebben uitgelegd. En omdat, gelijk wij zeiden, het P. B. van 1905—6 de houding van de „X. Tijd-groep" te beoordeelen had, heeft zij terecht de vraag in bovenstaanden vorm gesteld: was het voor Troelstra redelijkericijs onmogelijk aan de redaktie te blijven?

Zie hier het antwoord: (wij onderstreepen — V. d. G.) „Het P. B. formuleert zijn eindoordeel ten opzichte van punt I als volgt:

het stelt vast dat met name bij de diskussie over de agrarische kwestie (1901) van de zijde van Gorter c.s. uitingen zijn gevallen, die van een aard waren om het prestige van Troelstra in en buiten de Partij te schaden (');

is evenwel van oordeel, dat het optreden en de kritiek van Gorter c.s. over het algemeen en als geheel genomen niet van dien aard zijn geweest;

en dus moet worden verklaard, dat het optreden van Gorter c.s. niet de beteekenis heeft gehad hem de leiding als hoofdredakteur onmogelijk te maken."

Uit de toelichting van deze konklusie nemen wij nog het volgende over:

„Er waren, zegt het verslag, zonder twijfel uitingen gevallen, waarin duidelijk wantrouwen sprak in deze leiding. Zelfs waren er, waarin dit wantrouwen tegen Troelstra s bedoelingen, wanneer hij op belangrijke punten meeningen uitsprak, afwijkende van die van Gorter c.s. scherp aan het licht trad. Er stond daar tegenover dat ook van dezelfde zijde over Troelstra zeei waardeerend werd geschreven (o a. het artikel van Van der Goes in de Nieuwe Tijd van Juni 1903) (2).

Bovendien moest in aanmerking worden genomen dat Troelstra bij alle punten van belang, waarover in de jaren 1901

1) Indien het P. B. ook omgekeerd de grieven van Gorter c. s. tegen Troelstra c. s. had willen onderzoeken dan zou waarschijnlijk met dezelfde eenstemmigheid verklaard zijn geworden dat bij de beantwoording van Gorter door 1 roelstra evenzeer uitingen zijn gevallen, die juist niet konden strekken om het gezag te verhoogon van de rodaktouren en propagandisten die hij bestreed.

(2) Dit voorbeeld zou niet een aantal schriftelijke en mondelinge uitingen te vermeerderen zijn.

Sluiten