Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukt: „in dit opzicht zijn hunne artikelen reeds veroordeeld dooiden datum". De lezer die de stukken niet bij de hand had, of in goed vertrouwen de nummers van de kourant niet heeft opgeslagen, zal kwalijk hebben begrepen dat onze artikelen „in dit opzicht" alleen door den datum hebben gezondigd. De waarheid is dat Pannekoek en Van der Goes wel geschreven hebben vóór de herstemmingen maar de plaatsing aan de redaktie hebben overgelaten. De herstemmingsdag viel op 28 Juni en eerst in het Volk van 1 Juli en 5 Juli werden onze artikelen opgenomen. In het Volk werd zelfs uitdrukkelijk meegedeeld (no. van 2o Juni) dat de schrijvers geen opneming vóór de herstemming hadden verlangd. Hoe misleidend Troelstra's voorstelling was, blijkt verder hieruit dat hij de opmerkingen van Pannekoek en Van der Goes behandelt als aanvallen op de partijleiding, door die beide personen zonder aanleiding begonnen. De waarheid is dat reeds vóór den 28 Juni in het Volk gedebatteerd is over de houding der Partij in verscheidene ingezonden stukken, voor en tegen de partijleiding, door en over moties van afdeeüngen. Amsterdam V b.v. heeft een motie doen opnemen waarin de leiding van de redaktie wordt afgekeurd: maar Troelstra wilde Pannekoek raken en sprak daarom alleen over de Leidsche motie, waarin aan het kongresbesluit over de herstemmingen een afwijkende verklaring werd gegeven. De waarheid, dus, is, dat aan een niet door hen ingeleide of uitgelokte diskussie, de genoemde partijgenooten met zeer vele anderen hebben deelgenomen. Waarom spreekt Troelstra niet over het uitvoerige stuk van twee Haagsche arbeiders die zich over het gebrek aan discipline tegenover het kongres beklaagden, betoond door afdeeüngen en partijorganen die, naar hunne meening, het besluit omtrent de herstemmingen hadden geschonden ? Omdat Troelstra aan het geheele debat over deze zaak de valsche voorstelling wilde geven die hij in zijn kampagne tegen de „N. Tijd-groep" noodig had. Omdat hij van dit debat, met warmte gevoerd door een groot getal partij genooten, de voorstelling noodig had vervat o.a. in de volgende woorden:

„Wie geeft, vroeg hij (Volk van 15 Juli), wie geeft een paar individuen in de Partij het recht hun parool (dat van de partijleiding) door een tegen-parool te willen ontzielen, terwijl de strijd op het heetst is? Het ongepaste hiervan voelt, zou ik zeggen, ieder strijdend arbeider. Het is het a van ons a-b-c. Zonder dat zijn wij geen organisatie meer, doch een hoop knappe — of onknappe — koppen, elk zich aanvoerder voelend, orders of tegenorders uitschreeuwend, de partij vervormend tot een dispuutgezelschap op het oogenblik, dat zij als een leger in gesloten gelid moet opmarcheeren tegen den vijand langs de route haar door de bevoegde leiding aangegeven. . ."

Wanneer men bedenkt dat, gelijk gezegd, alleen de datum van onze stukken deze beschuldiging zou kunnen wettigen, en verder dat zij werkelijk slechts in een reeds begonnen gedachtewisseling een plaats hebben ingenomen, zal men hebben begrepen met welk doel de kampagne in Troelstra's artikelen over de „Herstemmingen en nog wat" geopend werd.

Sluiten