Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lezer beslisse thans zelf. Pannekoek heeft, zooals men ziet, alleen de strekking, de waarde van de daad beoordeeld Te handelen zooals Troelstra in de gegeven omstandigheden handelde, komt overeen met, is even erg of bijna zoo erg, als het plegen van verraad. Zóó bedoelde het Pannekoek, zóó schreef hij; zóó en niet anders. Hij meende niet en zeide niet dat Troelstra verraad heeft willen plegen, dat Troelstra een verrader was. Tusschen het oordeel over de daad en het beschiddigen van den persoon is een ontzaggelijk groote afstand. De beschuldiging van den persoon bevat en onderstelt het element van opzet. Aan een zaak immers kan letsel worden toegebracht door handelingen die niet nadeeliger hadden kunnen zijn wanneer de dader met boos opzet had gehandeld. Dit blijft voor de zaak hetzelfde, maar maakt een groot onderscheid voor den persoon. Inderdaad was het Pannekoeks meening, gelijk het nu de onze is, dat de beweging door Troelstra ernstig geschaad was geworden, bijna zoo erg als het hem mogelijk zou zijn geweest indien bij het voornemen daartoe had gehad. Zoo kan men van oordeel zijn dat iemands gedrag tegenover een derde „weinig minder" dan moord is — zonder in het minst te beweren dat de dader moord heeft gepleegd, een moordenaar genoemd, moet worden. Doch dit maakte Troelstra er van, hiermee hielp hij in zijn schend- en scheldartikelen van Juli '05 de partijgenooten tegen de Marxisten opruien. Het bleef van mond tot mond gaan: evenals Nieuwenhuis en Kolthek, heeft Pannekoek gezegd dat Troelstra een verrader is van de groote staking . . .

Maar Pannekoek heeft niet alleen zich bepaald tot een oordeel over de daad, haar waarde en strekking, hij heeft ten overvloede met den meesten nadruk verzekerd dat hij de beiceegredenen van Troelstra niet verdacht.

„Het is ons — schreef hij aan het slot van zijn opstel — geen oogenblik ingevallen te meenen dat hij zich door onzuivere beweegredenen lietleiden. Wij schrijven zijn verkeerde houding toe aan gemis aan inzicht, niet overzien van den toestand ... enz. . . . Aan persoonlijke goede trouic wordt niet getwijfeld . . . Troelstra heeft de beweging op zijne wijze willen dienen, maar als die wijze verkeerd is, mogen wij den wil niet voor de daad nemen, enz."

Deze woorden, die tusschen den wil en de daad onderscheiden, weerleggen de betichting van Troelstra aan het adres van den schrijver afdoende, een betichting die eerst naderhand tegen Pannekoek en diens vrienden gebruikt werd Op het oogenblik zelf heeft Troelstra den inzender geantwoord met een uitvoerig partikulier schrijven, waarin de daad werd verdedigd en toegelicht, maar dat geen woord bevatte over de „beschuldiging" van verraad. Dit verkrachten van de waarheid, dit beantwoorden van een kritiek zijner handelingen met het verwijt dat men zijn karakter enz. te nakomt, het systeem van zijn polemiek in alle partijgeschillen, is reeds in het stuk van Pannekoek aangeduid met woorden die Troelstra's houding in die geschillen volkomen kenmerken:

„Moet een openlijke afkeuring van zijn beleid, op een oogen-

Sluiten