Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den 2den Maart 1897 had de uitspraak plaats van den twee dagen later aftredenden President. Bij ongemotiveerd arrest werd Columbia veroordeeld tot een buitengewoon groote schadevergoeding. Omdat naar het oordeel van Columbia en zelfs van Italiaansche juristen de scheidsrechter zijne bevoegdheid had overschreden en niet ingevolge de regelen van het volkenrecht had gevonnisd, vroeg Columbia aan den nieuw opgetreden President Mac-Kinley revisie omtrent de uitspraak op één punt, dat naar het meende buiten de opdracht was gebleven. Toen revisie was geweigerd betaalde Columbia al waartoe het veroordeeld was, behalve ten aanzien van dat ééne punt (schuldeischers van Cerruti & Co., waarvoor Columbia garant moest wezen). Om tot dit laatste te dwingen zond Italië een eskader onder den Yice-Admiraal Candiani naar de wateren van Columbia, dat voor Carthagena kwam en 22 Juli 1898 formeele afdoening en daartoe een gelddepot bij eene Londensche bank eischte, waarop zelfs 13 Augustus de bedreiging volgde dat, indien den 15(,e" geen bevredigend antwoord zou zijn ontvangen , de Admiraal van de militaire middelen, welke hem ten dienste stonden, gebruik zou maken. Om een bombardement van de open stad door de marine — dit brutaal geweldsmiddel tot machtmisbruik — te ontgaan, bukte het zwakke Columbia voor de overmacht en onderwierp zich aan alle eischen onder protest, doch brak met Italië de diplomatieke betrekkingen af en nam van de Italiaansche consuls het „exequatur" terug.

De Delagoa-Spoorwegzaak.

De laatst bekend geworden uitspraak van een Scheidsgericht is ook om de oogenblikkelijke gevolgen, een van de belangrijkste. Zij is die in zake de Delagoa-baai-Spoorwegmaatschappij, welke den 30sten Maart 1900 bekend werd, waarbij de drie scheidsrechters, door de Zwitsersche bondsregeering benoemd, met eenparigheid van stemmen Portugal als gedaagde partij, veroordeelden om aan de regeeringen van deVereenigde Staten van Noord-Amerika en van Groot-Britannië, eischende partijen, in het geheel, boven en behalve de £ 28.000, op afrekening voldaan in 1890, uit te betalen de som van ruim 15 millioen franc, met enkelvoudigen interest op dat bedrag, naar den maatstaf van 5 percent per jaar, van 25 Juni 1889 tot den dag der betaling van die som, en voorts bepaalden hoe dat bedrag, na aftrek van de kosten der scheidsrechterlijke uitspraak, verdeeld moest worden tusschen de Obligatiehouders van de Delagoa-baai-Spoorwegmaatschappij, de weduwe van kolonel Mc. Murdo en andere rechthebbenden.

De zaak kwam in hoofdtrekken hierop neer. Een Schot, later Amerikaansch onderdaan, zich noemende kolonel Mc. Murdor

Sluiten