Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat een Staat stilzwijgend verklaart tot het gebruik der wapens te zullen overgaan.

Niet altijd wordt het terugroepen van den Gezant op zich zelf reeds als eene daad van overgang tot vijandelijken toestand beschouwd. Het kan echter als zoodanig gelden.

In 1864 overhandigden de Gezanten van Oostenrijk en Pruisen bij het Hof van Kopenhagen een ultimatum, waarbij o. a. werd verklaard: .. dat zij door hunne regeeringen waren aangewezen om de opheffing van de constitutie van 18 November van het vorig jaar te verlangen, en om, wanneer zij de verklaring, dat daaraan gevolg zou worden gegeven, niet in den loop van den 18de" j, a. v. 's middags ontvingen, Kopenhagen te verlaten."

Behalve de oorlogsverklaring wordt veeltijds door de oorlogvoerende Staten, bij het begin van den oorlog, een manifest uitgevaardigd, waarbij aan de overige Staten kennis wordt gegeven, dat zij de wapenen hebben opgenomen.

Dit is wenschelijk, om den neutralen bekend te maken met een toestand, in welken dezen plichten hebben te vervullen. Het bevat in korte trekken de redenen, die tot den oorlog hebben geleid.

Het verrassend overgaan tot oorlog, is strijdig met het volkenrecht.

Bluntschli zegt, §521, dat het volkenrecht, bij wijze van uitzondering, het onverwijld aanwenden van de wapens tegen zeeroovers toestaat. Hij voegt er terecht bij, dat dit meer eene volkenrechtelijke straftoepassing dan eene oorlogsvoering is.

Omtrent den tijd, tusschen de bedreiging met oorlog en het begin der vijandelijkheden, is niets bepaald. Die tijd behoeft echter niet zóó groot te zijn, dat daarin nog onderhandelingen kunnen worden gevoerd, of dat de vijand zich ter verdediging kan voorbereiden.

Volgens Bluntschli (§ 524) behoort aan den tegenstander echter genoegzaam tijd te worden gelaten om door spoedig toegeven het uitbreken van den oorlog te kunnen vermijden.

Die tijd is soms zóó kort, dat de vreedzame bevolking plotseling overvallen, uit den rustigen vrede in vollen oorlogstoestand wordt gebracht.

Bluntschli veroordeelt terecht het beginnen van de vijandelijkheden gelijktijdig met de oorlogsverklaring, zonder voorafgaande niet te miskennen bedreiging met oorlog, als strijdig met de belangen der menschheid.

Sluiten