Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijgelaten officieren door het Gouvernement van Tours naar Algerië geplaatst. waarvoor een gelijk getal beschikbaar kwam, dat naar Frankrijk ging om de Duitschers te bestrijden.

Gedurende het gevecht is het vrijlaten op het woord van eer niet toetestaan en van de tegenpartij niet te vorderen 1).

Wanneer bijv. in een handgemeen, een officier een vijandelijk officier gevangen neemt, doch door den heeten strijd bezwaarlijk tijd kan vinden dezen in veiligheid te brengen, mag hij hem niet voetstoots op zijn woord van eer vrijlaten, omdat er gedurende het gevecht voor den vrijgelatene omstandigheden kunnen voorkomen van nooddwang tot zelfverdediging, waardoor het onmogelijk zou zijn lijdelijk te blijven.

Art. 11.

Een krijgsgevangene kan niet gedwongen worden zijne vrijheid op eerewoord aan te nemen; evenzoo is de vijandelijke Regeering niet verplicht het verzoek in te willigen van den gevangene, die zijne invrijheidstelling op eerewoord verlangt.

Art. 12.

Ieder krijgsgevangene, op eerewoord in vrijheid gesteld, die weder wordt gevat terwijl hij de wapens draagt tegen de Regeering, jegens welke hij zich op zijne eer verhonden had, of tegen haar bondgenooten, verliest het recht op de behandeling als krijgsgevangene en kan gerechtelijk vervolgd worden.

Art. 124 van de Amerikaansche Instructie van 2-1 April 1803 zegt bepaald: „ Het verbreken van het woord wordt met den dood gestraft, wanneer de persoon, die het verbrak, weder wordt gevat. Daarom moeten van de op hun woord ontslagen personen door de oorlogvoerenden nauwkeurige lijsten worden opgemaakt."

Art. 20-1 van het „Code Francais de jiistice utilitaire pont' l'artnée de terre van 9 Juni 1857 en art. 262 van het Code de justice militaire po ar l'armée de mer van 4 Juni 1858 bepalen:

li Dahn, S. 13.

Sluiten