Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij kan alle maatregelen nemen noodig om te beletten dat de parlementair van zijne zending gebruik maakt om zich inlichtingen te verschaffen.

Hij heeft het recht, in geval van misbruik, den parlementair tijdelijk aan te houden.

Art. 44 van de Brusselsche Conferentie bevatte nog de bepaling dat een bevelhebber ook te voren kon verklaren dat hij, binnen een bepaalden tijd, geen parlementairs zal ontvangen en dat de vijandelijke parlementair, die zich, na zoodanige kennisgeving, zou vertoonen, het recht op onschendbaarheid verliest. Zij was voornamelijk op verlangen van den Duitschen Gedelegeerde, Generaal von Voigts-Rhetz (zie ProtocolN°. 4, der zitting van 3 Augustus 1874) aangenomen, op grond dat groote legeraanvoerders hadden bepaald dat zij in kritieke omstandigheden, bijv. tijdens den terugtocht van het leger, geen parlementairs zouden ontvangen. Ook de Oostenrijksche Gedelegeerde, Generaal von Schoenfeld, was van dat gevoelen, er bijvoegende dat de vijand belang kan hebben om door herhaaldelijk parlementairs te zenden, tijd te winnen.

In de zitting van den 3(>ten Mei 1899 der Haagsche Vredesconferentie werd, op voorstel van den Duitschen technische Gedelegeerde, Kolonel von Gross von Schwarzhoff, beslist deze bepaling niet te maken, omdat het van belang is vast te houden aan de volstrekte onschendbaarheid van den parlementair en dat er zich omstandigheden kunnen voordoen, waarin het van overwegend belang is met den vijand in gedachtenwisseling te komen. Graaf Nigra, Eerste Gedelegeerde van Italië, ondersteunde dit voorstel, op grond dat de bevoegdheid tot het zenden van parlementairs steunt op het volkenrecht. De Fransche Generaal Mounier was van meening dat de 2de alinea van het artikel genoegzaam middelen aanbiedt om misbruiken te voorkomen. Schrijver dezes wees er op dat die misbruiken zeer belangrijk kunnen zijn, waarop de Kolonel von Gross nog aanvoerde dat de oorlogvoerende, die geen parlementairs wil ontvangen, deze slechts heeft terugtezenden.

Art. 34.

De parlementair verliest zijn recht op onschendbaarheid, indien het stellig en onwederlegbaar bewezen is, dat hij van zijnen bevoorrechten toestand gebruik gemaakt heeft om eene daad van verraad uit te lokken of te plegen.

Een daad van verraad kan bijv. zijn te trachten een geest van oproer en verzet onder de troepen te brengen.

Sluiten