Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ai*t. 46.

De eer en de rechten van het gezin, het leven der personen en de bijzondere eigendom, alsmede de godsdienstige overtuigingen en de uitoefening van de eerediensten moeten worden geëerbiedigd.

De bijzondere eigendom kan niet worden verbeurd verklaard.

In de zitting van den lsten Juni 1899 der Vredes-Conferentie wenschte de Duitsche Gedelegeerde, Kolonel von Gross von Schwarzhoff, achter de lste alinea gevoegd te hebben: .,voor zooveel de oorlogsnoodzaak dit toelaat;" omdat de oorlogvoerende het recht moet hebben een particulier te kunnen dwingen, zelfs onder bedreiging met den dood.

Die bijvoeging is niet aangenomen, omdat men als een juridiek beginsel de vernietiging van de individueele rechten niet kon toelaten, ofschoon men er als het geval er toe leidt, soms de toevlucht toe neemt. Door eene twijfelachtige verklaring wilde men althans het beginsel niet op losse schroeven plaatsen.

De uitgestrekte hoeven van de heeren Fisher en Wessels, Vrijstaters van naam. die met den heer Wolmarens, uit de Z. Afr. Republiek, naar Europa en Amerika waren afgereisd om tusschenkomst tot vrede op billijke voorwaarden te verkrijgen , werden door de Engelschen, toen deze zich, in Mei 1900, van den Oranje-Vrijstaat meester hadden gemaakt, door dynamiet en buskruit met den grond gelijk gemaakt. Oorlogsnoodzaak kon toen zelfs niet worden voorgewend. Onedele haat en ongerechte wraakoefening waren waarschijnlijk de beweegredenen.

Art. 47.

Plundering is uitdrukkelijk verboden.

Het is geconstateerd (Rapport van den heer Rol in x) dat de beperkingen van de artt. 44, 45, 4<i en 47 de vrijheid van handelen der oorlogvoerenden in sommige uiterste gevallen, welke aan eene soort wettige zelfverdediging gelijk te stellen zijn, niet mogen verhinderen.

1) Conférence intern, de la Paix, 1899, lil're partie, page 59.

Sluiten