Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van bezette steden of landstreken, wordt door het modern volkenrecht niet meer toegelaten." Hij laat er echter opvolgen: Met recht begrenst men de geldcontributiën — behalve die, welke als straf zijn opgelegd — tot de gevallen van geheele of gedeeltelijke vervanging der dikwerf niet optebrengen leveringen in nature tegen geld."

Dat gevoelen wordt door de Duitsche aanvoerders gedeeld. Bewijs daarvoor levert punt 4 der proclamatie van 1870, waar wel niet van oorlogsschatting, maar toch reeds van schadeloosstelling in geld voor niet te leveren requisitie in natura sprake is. Ter Bruss. Conf. vond dit beginsel groote tegenkanting, vooral bij de afgevaardigden Lambermont (België), Van Lansberge (Nederland), Hammer (Zwitserland). — Generaal von Voigt-Rhetz lichtte de bedoeling er van toe ').

Schrijvers gevoelen, dat oorlogsschattingen alleen te rechtvaardigen zijn wanneer ze later in mindering komen van de oorlogskosten, bij den vrede te betalen, wordt bevestigd in het Fransche voorschrift, waar wij blz. 128 lezen: „La guerre pouvant Ure comidéré comme une sorte de procés d'oii ressort le droit du vainqueur, il est naturel que le ruinen en mpporte les frais; on est arrivé, par suite, a regarder lescontributionscomme un prelévement anticipé que l'occupant exerce sur le montant de ces frais."

De omvang der oorlogsschatting mag nimmer drukkend zijn voor de bevolking, die haar dragen moet.

Een besluit van het Duitsch gouvernement van Rheims regelde de oorlogscontributie aldaar voor 1871 volgenderwijze: De Fransche belastingen werden vervangen door één enkele directe contributie van gelijk bedrag als het totaal dier belastingen, met bijvoeging eener som van 50 francs per hoofd. De maires waren belast de te betalen som onder de inwoners hunner gemeente te verdeelen. Die belasting werd bij twaalfde gedeelten, bij het begin van elke maand, geheven 2).

Volgens Napoleon „is deze schatting zelden zoo hoog als die, welke gedurende een jaar door den Souverein wordt geheven."

Na den slag van Jena, in 1806, werden door Napoleon aan Pruisen en zijn bondgenooten zware oorlogsschattingen opgelegd. Ook de Pruisen hebben in den oorlog van 1866 oorlogsschattingen geheven, evenals in dien van 1870—71. In laatstgenoemden oorlog waren enkele oorlogsschattingen tot vergoeding van bepaald aangewezen schade bestemd. Zoo werden bijna 7 millioen francs geheven tot gedeeltelijke vergoeding van de schade, door de uit Frankrijk verdreven Duitschers geleden.

Bedreiging van platschieten of plundering van gemeenten tot het heffen van deze schattingen wordt niet meer door het oorlogsrecht der beschaafde volken toegelaten.

) Actes, p. 18b.

) La Campagne du Nord, p. 164. Paris, T a n e r a, 1873.

Sluiten