Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonen, staat tevens stilzwijgend den niet-militair, die dus geen vijand is, vrijheid en zekerheid toe om terugtegaan ').

Waar het tijdelijk gwangen houden van vreemdelingen voorkwam , had men altijd met een maatregel van représaille te doen.

Exceptioneele oorlogsnoodzaak, een geheime marsch b. v. kan, voor een korten tijd, opsluiting zelfs van eigen onderdanen noodzakelijk maken, zooveel te meer dus die des vijands.

In 1813 lieten de Duitschers eerst de geboren Franschen, waarvan vele in Duitschland burgerlijke ambten hadden bekleed, te Frankfort bijeenbrengen. Deze moesten daar blijven. Den 2tjsten Dec. liet Blücher ze echter allen gezamelijk uit Frankfort zetten en naar Mainz brengen, waar zij aan de Fransche voorposten werden overgeleverd. Dit geschiedde in het belang der voorgenomen oorlogsoperatiën; de overtocht van den Rijn, op 1 Jan. 1814 bepaald.

Omstreeks half Aug. 1870 werd tot de geleidelijke uitzetting van de Duitschers uit Parijs besloten. Het geschiedde als voorzorg tegen verspieding, waarvan de meest overdreven geruchten in omloop waren.

Den 28sten Aug. 1870 werd, bij besluit van den Gouverneur van Parijs, aan alle onderdanen van de vijandelijke Staten, bevel gegeven de stad en het Departement van de Seine binnen drie dagen te verlaten.

Dit besluit is gewettigd door de omstandigheden, dat het beleg van Parijs aanstaande was, vooral indien men weet, dat de Gouverneur van Parijs vier dagen te voren reeds de verwijdering van de ..bonrhes inutib's," meest Fransche vrouwen, had bevolen.

Bij het uitbreken van den oorlog van Gr.-Britannië tegen de Zuid-Afrikaansche Republieken ontvingen zeer vele Engelschen bevel het grondgebied dier republieken te verlaten. Zij, die genoegzaam vertrouwd werden, dat zij konden blijven, moesten een vergunning tot verblijf (permit) kunnen toonen, welke later, toen er verdachten bleken te zijn, moest worden vernieuwd.

Hier te lande geldt, omtrent dit punt, art. 46 der Instructie voor de plaatselijke Commandanten, gearresteerd bij besluit van den Souvereinen Vorst van den 11(ie11 Jan. 1815, luidende: „De Gouverneur of Kommandant van eene vesting heeft de macht om op hooger bevel, of wanneer de vijand tot minder dan drie marschen de vesting is genaderd, dadelijk alle vreemdelingen, verdachte en nuttelooze lieden, te doen vertrekken." Bij § 56 der Instructie voor vesting- en fort-Commandanten, vastgesteld bij Zr. Ms. besluit van 18 Nov. 1875, is o. a. bepaald:

„Naarmate de nabijheid des vijands zulks urgent doet zijn, moet aan verdachte personen, wier aanwezigheid de rust en de veiligheid van de plaats in de waagschaal stelt, het verblijf in de vesting ontzegd worden."

1) Vattel, III. 4. § 63.

Sluiten