Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot het leger of de marine van eene oorlogspartij behooren of oorlogsdaden bevorderen. In Aug. 1870 werd een groot aantal Duitsche dienstplichtigen uit Amerika, voor den oorlog opgeroepen , met Engelsche schepen overgebracht. Ook volgens C a 1 v o (§ 2325) konden die schepen deswege door Fransche kruisers worden prijsverklaard. Wheaton ') voegt daarbij, dat het moeielijk is vasttestellen hoeveel militairen noodig zijn om een schip te doen confisqueeren. Thans wordt meer en meer aangenomen dat het transport van personen slechts dan als contrabande wordt beschouwd, als de reizigers zich reeds aan boord onder eene zekere — zij het ook zelf aangenomen — orde en indeeling bevinden, als troepen zijn uitgerust en hun gezamenlijke reis het karakter van eene expeditie draagt, zoodat reeders en kapitein daaromtrent niet onbekend kunnen zijn. (Professor Stoerk, uit Greifswald, in de Berliner LokulAnzeiger van 10 Januari 1900.)

Het vervoer van burger-onderdanen van een oorlogvoerenden Staat, onverschillig of zij al dan niet als gezant, agent of lasthebbende in zending reizen, is geen contrabande. Dit wordt bewezen door de zaak van de Trent.

De zaak van de „Trent".

De Trent 2), een Engelsche paket-boot, werd in 1861, gedurende den oorlog van de Zuidelijke- tegen de Noordelijke Staten van Noord-Amerika, door kapitein-ter-zee W i 1 k e s, commandant van den kruiser San-Jacinto der Noordelijken in volle zee aangehouden. Twee éminente staatslieden der Zuidelijken, Slidell en Mason, met twee anderen, hun Secretarissen, die door hunne Regeering naar Frankrijk en Engeland waren gezonden, teneinde die Rijken te bewegen ten hunnen gunste optetreden, werden van boord opgelicht en gevangen gehouden.

Deze zaak maakte in Europa allerwege zulk een indruk, de solidariteit der Staten onderling en het belang om voor de rechten der neutralen optekomen werd toen nog zóó gevoeld, dat Frankrijks Minister van Buitenlandsche Zaken Thouvenel meende het stilzwijgen er niet over te mogen bewaren. Zelfs wanneer deze personen — verklaarde hij in eene depêche van 3 Dec. 1861 — als opstandelingen werden beschouwd, mochten zij niet van een neutraal schip worden opgelicht, krachtens het beginsel dat het schip een deel uitmaakt van het territoor van de natie, welks vlag het voert en een vreemd souverein daar dus geen jurisdictie kan voeren, alsmede wegens het toevluchtsrecht (droit d'asile), dat daarvan een uitvloeisel is. Hij ontkende dat zij als oorlogscontrabande konden worden beschouwd.

1) Elémehts de droit international, H, p. 161.

2) Zie omtrent deze zaak d. B. P., Hei intern, maritiem recht. Breda, 1888, blz. 487-489.

18

Sluiten