Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Voor dat de Sydney die haven den 5den Nov. weder had verlaten werd het schip, trots protesten van den gezagvoerder, den agent van de reederij en den Franschen vice-consul, door een prijs-officier van het in de haven aanwezige Japansche oorlogsschip Tsukuba aangehouden, gevisiteerd en de drie avonturiers, wier identiteit en doel uit de inbeslag genomen papieren was gebleken, gevangen genomen.

De Amerikaansche consul protesteerde tegen het gevangen nemen der twee Amerikanen.

Na 17 uren oponthoud werd de Sydney vrijgelaten; evenzoo John Wild en Cameron na een verhoor, doch niet dan nadat zij een eed hadden afgelegd, dat zij gedurende dezen oorlog nimmer meer in dienst van China zouden gaan. (Zie blz. 121).

Hier had men niet met zuiver burgerpersonen te doen. Zij hadden verbintenissen aangegaan om China tot het verrichten van oorlogsdaden te dienen en werden door Japan in eene Japansche haven aangehouden en daarin verhinderd, waartoe het als oorlogvoerende recht had. Dit is ook het gevoelen van Dr. von Bar, hoogleeraar te Göttingen, blijkende uit zijn brief van 23 Juli 1899 aan den heer Sakuyé Takahashi, hoogleeraar in het internationaal maritiem recht aan het Japansche marine-stafcollege.

Ofschoon uit een rechts-oogpunt de handel in paarden kan worden vrijgelaten, zal de onzijdige Staat, indien hij zich tot handhaving van zijne onzijdigheid wapent, meesttijds den uitvoer van paarden verbieden.

Art. 1 der wet van 24 Juli 1870 (Stbl. N°. 143) bepaalt: De uit- en doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver, steenkolen en cokes, kunnen door Ons, geheel of gedeeltelijk^ tijdelijk worden verboden. Ten gevolge daarvan werd bij Koninklijk besluit van denzelfden datum (Stbl. Nft. 144) de uit- en doorvoer van paarden, met uitzondering van veulens, tot nadere beslissing verboden.

Onzekerheid of de aanvoer van een handelsartikel naar eene oorlogspartij vrij of verboden is, geeft rechtsgrond tot vrijverklaring.

De vraag blijft: wie bepaalt wat contrabande is? Hu go de Groot acht dit recht een natuurlijk gevolg van de eigenschap van oorlogspartij, die de reeks van verboden voorwerpen naar omstandigheden, d. i. de oorlogsnoodzaak, kan uitbreiden. Hautefeuille1) beweert daarentegen, dat het verbod geen recht van eene oorlogspartij, doch een plicht is van den neu-

1) Nations neutres, II, p. 360.

Sluiten